Wie net als ik in een studentenstad woont, is misschien bekend met het volgende verschijnsel, dat zich steeds in deze tijd van het jaar voordoet. Het is introductieweek en de eerstejaars komen kennismaken met elkaar, hun studiegenoten en het uitgaansleven. Maar anders dan bij andere terugkerende verschijnselen zoals de eerste lenteregen of kerst, verandert de waarneming; het lijkt namelijk alsof de studenten elk jaar jonger worden. Dat is natuurlijk niet zo, ze tellen – ongeveer – evenveel jaren als ik bij mijn introductie. In absolute zin zijn ze dus even oud. Maar in relatieve zin klopt het wel; studenten worden jaarlijks steeds een jaar jonger dan ik ben. Als ik mezelf als referentiepunt neem, heb ik dus gelijk.
Het zal duidelijk zijn dat dit verschijnsel illustratief is voor iets wat wel vaker voorkomt: door jezelf als maatstaf te nemen ontwikkel je een werkelijkheidsperspectief dat niet hetzelfde is als wanneer je anders zou kijken. In zijn boek De zeven vinkjes (2022, Uitgeverij Pluim) beschrijft Joris Luyendijk hoe je sociaal-culturele bagage je blind kan maken voor de ervaringen van mensen zonder deze bagage. Ook binnen een gedeelde maatschappelijke context speelt dit soort blinde vlekken een rol. Zo hoorde ik in een bijeenkomst van decanen en universitaire onderwijsdirecteuren een theoretisch natuurkundige eens zeggen dat zijn afdeling geen last heeft van bezuinigingen, nooit gehad ook, alles koek en ei, dus heeft niemand een probleem. Dat was een beetje een pijnlijke conclusie voor zijn buurvrouw, wiens psychologie-afdeling meer dan gehalveerd was door de recente kabinetsbesluiten om allerlei opleidingen in het hoger onderwijs te schrappen. Van wat ik gelezen heb over theoretische natuurkunde, bijvoorbeeld Meeting the universe halfway van Karen Barad (Duke University Press, 2007), zou hij geweten moeten hebben dat het meetinstrument, bijvoorbeeld hijzelf, de waarneming bepaalt. Enige bescheidenheid over de reikwijdte van zijn conclusie was dus gepast geweest. Maar zoals dat gaat in de wetenschap: één boek is geen boek, dus misschien zijn Niels Bohr en collegae achterhaald, is kwantumfysica allang en breed uit, moet ik meer bij mijn leest lezen.
Eén wetenschapper is ook geen wetenschapper. Om op onvolledige waarnemingen gebaseerde, al te grove denkfouten te voorkomen, heeft de wetenschap lang vastgehouden aan het ideaal van de objectieve waarneming. Mede door zorgvuldigheid in de pogingen daartoe moest uiteindelijk geconcludeerd worden dat die objectieve waarneming niet kan worden gerealiseerd. Wat nu? Want wetenschap als ‘ook maar een mening’ is een onhandige opvatting om tot verdere kennis, inzichten en ethische implicaties te komen. Een andere manier om denkfouten te voorkomen is daarom nodig en gevonden in het vergroten van variatie in de kenmerken van wetenschappers. Niet langer meer vooral mensen met zeven of zes vinkjes, maar diversiteit in de wetenschappelijke bevolking. Helaas wordt dit vaak nogal eenzijdig opgevat in termen van identiteit, worden bureaucratisch alsnog vinkjes gezet om aan quota te voldoen, gaan zich aldus geschoffeerd voelende wetenschappers op zoek naar theorieën om de wetenschappelijke kwaliteiten van anders-gevinkte collega’s aan te vallen en zijn we eigenlijk en kort gezegd dus best gek bezig. Toegang tot wetenschap is geen biologisch gedetermineerde kwestie, uitsluiting vindt plaats eerder op grond van vooroordelen en bijbehorende zelfselectie. Eenmaal ‘binnen’ wordt de atypische wetenschapper gemakkelijk de toetssteen van het diversiteitsbeleid.
Variatie in de wetenschappelijke bevolking gaat over het toelaten van uiteenlopende perspectieven en, niet onbelangrijk, wegen om tot die perspectieven te komen. Die zijn deels sociobiografisch (eerstegeneratiestudent), deels hardwired (neurodiversiteit), deels domweg vaag. Zo ontdekte Friedrich August Kekulé von Stradonitz de benzeenring doordat hij droomde van een slang die in zijn eigen staart beet en ook de Russisch existentialistische filosoof Nikolai Berdyaev gaf ooit als bronvermelding in een voetnoot aan: “This was once revealed to me in a dream.” Zelf had ik in 1998 vlak voordat ik in slaap viel een inval voor hoe ik de data voor mijn promotieonderzoek moest ordenen – en gelukkig had ik nog net de tegenwoordigheid van geest om dit op te schrijven, zodat ik de volgende dag meteen aan de slag kon. Want dat volgt natuurlijk op de droom: de daad om haar in verder denken en doen uit te werken. Bij voorkeur in variatie, monocultuur is de doodslag voor creativiteit en inspiratie.
Elk jaar wordt de studentenpopulatie jonger dan ik, maar voor de rest deelt de meerderheid mijn uiterlijke kenmerken. Hopelijk groeit er veel variatie in perspectieven en plaveien hun dromen ooit de weg naar een beter begrip.
Want ik heb ook een droom en dat is dat we ooit in al onze variaties de gelijkwaardigheid van alles en iedereen beter begrijpen en stoppen elkaar naar het leven te staan.
Deze blog is ook verschenen op Expertisecentrum Buitenpromoveren.