Voor Expertisecentrum Buitenpromoveren schreef ik diverse blogs over buitendoctoren, ofwel het na je academische promotie buiten de universiteit in onderzoek werken. Hoewel de overgrote meerderheid van doctoren de universiteit verlaat, is hier tijdens het promoveren weinig aandacht voor. Die aandacht heb ik met mijn blogs willen aanwakkeren en om het vuurtje gaande te houden, heb ik ze hieronder met een lichte redactie onder elkaar gezet. Bij wijze van inhoudsopgave:
- ik begin met wat veel promovendi zich niet realiseren, namelijk dat er een ‘buiten’ is;
- vervolgens werk ik dit ‘buiten’ cijfermatig uit, om te laten zien dat daar voor de meeste doctoren de loopbaan zich verder zal ontwikkelen;
- daarna sta ik stil bij wat universiteiten in deze kwestie zoal voor hun promovendi doen en daarbij geef ik twee adviezen;
- en ik sluit af met suggesties voor hoe werkgevers profijt kunnen leren hebben van hoogopgeleide kenniswerkers.
De ontdekking van een ‘buiten’
In de film Room* groeit Jack samen met zijn moeder op in een kamer. Moeder Joy is jaren geleden ontvoerd door Old Nick, die Jack bij haar verwekt heeft. Als Jack vijf wordt, vindt Joy het tijd om samen te ontsnappen. Maar hoe leg je uit aan een kind, dat in één enkele kamer is opgegroeid, wat ‘buiten’ is? Zij weet wat het is, zij kent het nog; maar voor Jack is het concept zo nieuw, dat hij eerst hevige paniek moet overwinnen voordat hij kan geloven dat zoiets überhaupt bestaat: buiten.
Iets vergelijkbaars zie ik bij promovendi die beseffen dat er voor hen niets anders dan een buiten rest voor hun loopbaan. Dat is niet zo gek, maar denk eens over het volgende na. Het verschijnsel universiteit is zo’n 825 jaar oud. Laten we die 825 jaar eens zien als één dag. Het idee dat onderzoek op een universiteit thuishoort, stamt uit het ontwerp van de Von Humboldt universiteit in 1815. In onze dag is het dan rond zes uur ’s avonds. Het grootste deel van de dag waren universiteiten dus vooral met onderwijs bezig; wetenschap vond daarbuiten plaats en kreeg pas bij het avondeten een plek aan tafel. In de jaren 60 van de vorige eeuw, dus zo’n 65 jaar geleden, ontstond de zogenaamde Academic Revolution, waarmee de universiteit zich het monopolie op wetenschappelijke kennis toe-eigende.** In onze dag is het dan net half elf geweest. De gedachte dat je mensen moet opleiden (en niet alleen socialiseren) in de wetenschap, deed haar intrede met het aio-stelsel in de jaren 80. Onze universiteit-van-één-dag zit er zo rond half twaalf bijna op. Het idee dat wetenschappelijke loopbanen starten binnen universiteiten en daar ook blijven, is dus van relatief recente datum. Maar wie in dat laatste halve uur wetenschapper wordt, weet niet méér over buiten dan Jack.
De verwachting van veel binnenpromovendi is, dat zij voor een interessante wetenschappelijke carrière bij de universiteit moeten zijn. Kunnen universiteiten interessante loopbanen bieden? Ik denk het wel. Los daarvan is het de vraag of ze die ook aan iedereen kunnen bieden, en dat denk ik niet (zie verderop). Daarom wil ik promovendi en jonge doctoren enthousiasmeren voor een leven buiten de universiteit. In 2011 gaf ik hierover een lezing in Aberdeen en in 2014 in Amsterdam, op de door NRC Next georganiseerde avond ‘Te slim voor de arbeidsmarkt‘. Voor veel promovendi in het publiek bleek ik een soort Joy die een nieuwe wereld liet zien. Natuurlijk is het daar geen paradijs. Laat me daarom voorop stellen dat het leven van een wetenschapper buiten de universiteit niet gemakkelijker is dan daarbinnen. Bij hoe universiteiten hun promovendi daarop beter kunnen voorbereiden en hoe werkgevers hun gepromoveerd personeel beter kunnen inzetten, sta ik stil in de laatste twee delen van dit stuk. Eerst maar eens het idee van de mogelijkheid zelf laten landen in de hoofden en harten van hen die het aangaat, namelijk de onderzoekers die naar buiten gaan.
Grofweg kun je denken aan drie mogelijkheden: loondienst, ondernemerschap en een combinatie van beide. Loondienst bespreek ik in het laatste deel, waarin ik ook werkgeverschap bespreek. Hier zoom ik in op ondernemerschap met een randje loondienst. Bij ondernemerschap liggen veel opties voor je open: zet je een bedrijf op, neem je mensen in dienst, richt je een stichting op, word je zzp’er? Bied je een product of een dienst aan? Wat is de kern van je aanbod? Is het kennisintensief? Zelf heb ik een onderzoeksbureau opgericht voor vraagstukken in het maatschappelijke domein. Mijn opdrachtgevers zijn gemeenten, woningcorporaties, zorg- en onderwijsinstellingen en andere partijen die ‘iets over de samenleving willen weten’. Mijn specialisme is narratief en discoursonderzoek en dat onderscheidt mij van andere onderzoeksbureaus. Gevolg is dat expertise- en kenniscentra, hbo’s en universiteiten mij vragen om hierin les te komen geven. Daarnaast heb ik eens in de zo veel tijd een tijdelijke baan als projectleider of postdoc. En ik heb natuurlijk samen met Kerstin van Tiggelen Expertisecentrum Buitenpromoveren opgericht, daarvoor samen met haar twee boeken geschreven en we geven samen workshops over buitenpromoveren. Kerstin heeft daarnaast al vele jaren een communicatiebureau, een bureau voor accreditaties en audits, en een stichting die geldt als het kenniscentrum bij uitstek over te vondeling leggen en neonaticide. Als je onze cv’s bekijkt, dan zie je een mix aan onderzoek, onderwijs, publiceren. Komt die mix je bekend voor?
Zo zijn er behoorlijk wat wetenschappers die vanuit eigen onderneming (en hier en daar een arbeidscontract) voor zichzelf en hun intellectuele noden zorgen. Zij richten hun eigen school op, ze coachen promovendi, ze begeleiden teams in organisaties die met lastige vraagstukken worstelen, ze adviseren overheden bij wicked puzzels, ze bouwen een bedrijf op om duurzame producten gemeengoed te maken, ze zetten zich via hun stichting in voor het promoten van een gezonde leefstijl. Ze vinden allemaal hun weg om hun wetenschappelijke kunde te verbinden aan maatschappelijke thema’s. En dat doen ze dus allemaal daar: buiten.
Mijn advies: zoek jouw eigen Joy, iemand die jouw kamer kent en van ‘buiten’ weet, en je graag vertelt over hoe het daar is.
* Onder regie van Lenny Abrahamson, gebaseerd op de gelijknamige roman van Emma Donoghue.
** Zie bijvoorbeeld Jencks, C. & Riesman, D. (1968). The academic revolution. Doubleday.
De academische arbeidsmarkt buiten de universiteit
Net zoals op enig moment een jaar achter de rug is, is ook op enig moment – en met een vergelijkbaar gevoel voor ceremonie – het promoveren achter de rug en ben je doctor. Ik wil het vanuit het optimisme dat je dit lukt hebben over het leven daarna. Iets minder optimistisch ben ik over de kansen op een vaste aanstelling op een universiteit, dus ik wil het hebben over de mogelijkheden om je brood te verdienen met wetenschappelijk onderzoek buiten de universiteit. Buitendoctoren dus. Zowel de oriëntatie daarop tijdens het promoveren als het faciliteren ervan na de promotie verdient meer aandacht.
In 2019 heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek een grootschalig onderzoek gedaan naar gepromoveerden in Nederland (doelpopulatie bijna 67.000 gepromoveerden, steekproefkader circa 20.000 gepromoveerden, respons ruim 9.700 gepromoveerden). Volgens het CBS groeit het aantal promovendi sinds een aantal decennia sterk, mede door overheidsbeleid om Nederland als kenniseconomie te positioneren binnen de Europese kenniseconomie-in-wording. Verrassende uitkomsten van het onderzoek: de gemiddelde leeftijd van het behalen van de doctorstitel was bijna 33 jaar, iets meer dan een kwart heeft de titel in de afgelopen vijf jaar behaald en 61% had niet de universiteit als belangrijkste financieringsbron, maar een werkgeverstoelage of -lening (21%), een beurs (18%) of eigen financiering. Verrassend, omdat het standaardmodel van ‘de promovendus’ sinds de jaren 80 de jonge twintiger is, die meteen na de opleiding in loondienst van de universiteit treedt en binnen de looptijd van een contract van vier jaar het proefschrift afrondt. De CBS-cijfers laten een andere standaard zien, eentje die meer de kenmerken heeft van een buitenpromovendus.
Binnen- of buitenpromoveren terzijde, nu heb ik het even over het leven daarna. De arbeidsparticipatie van gepromoveerden is hoog: 96% van de CBS-respondenten zei dat ze in december 2018 betaald werk had. Gepromoveerden horen samen met mensen met een hbo- of wo-diploma tot de groep ‘hoogopgeleiden’. De arbeidsparticipatie van die hele groep lag met 82% lager dan dat van de gepromoveerden alleen (en de arbeidsparticipatie van de gehele bevolking lag met 68% nog lager).* Een promotie – voor wie er nog over twijfelt dit spannende traject aan te gaan – vergroot dus mogelijk je kans op betaald werk.
Betaald werk betekent voor 73% van de gepromoveerden een vaste aanstelling (tegen 66% van de hoogopgeleiden en 61% van alle werkenden); 72% heeft zelfs een voltijdaanstelling. Van de overige gepromoveerden heeft ongeveer twee derde een flexibel dienstverband en werkt ongeveer een derde als zelfstandige (van wie 40% als medisch specialist in de gezondheidszorg).
Een vaste aanstelling betekent voor 64% van de gepromoveerden jonger dan 35 jaar een baan buiten en voor 37% een baan binnen de wetenschap (ik neem aan dat CBS ‘wetenschap’ gelijkschakelt aan universiteiten en universitaire medische centra; onterecht, denk ik, waarover later meer). Voor gepromoveerden van boven de 45 jaar ligt dit anders: 95% heeft een vast dienstverband binnen de wetenschap. Dus de toename van promovendi en jonge doctoren kent geen evenknie in de universitaire banenmarkt en er is sprake van een grote uitstroom naar een leven buiten de universiteit. Van de CBS-respondenten die in loondienst van een universiteit of met een beurs promoveerden, is meer dan de helft ontevreden over de voorbereiding op een loopbaan binnen de wetenschap en nog meer van hen is ontevreden over de voorbereiding op een loopbaan daarbuiten. Terecht dus dat steeds meer aandacht wordt gevraagd naar een goede voorbereiding daarop tijdens het promoveren zelf. Voor buitenpromovendi ligt dat denk ik anders dan voor binnenpromovendi; zij kennen immers de verwevenheid van wetenschappelijk onderzoek en een niet-academische beroepspraktijk al veel langer.
Ongeveer een derde van de werkzame gepromoveerden werkt bij een universiteit of UMC, dus bijna twee derde werkt elders (en van hen zou 17% liever in de wetenschap werken, dus de meerderheid vindt het wel prettig daarbuiten). Waarom ik de gelijkschakeling van ‘wetenschap’ met ‘universiteit/UMC’ onterecht vind, is omdat 8 van de 10 werkende gepromoveerden onderzoekswerkzaamheden heeft. Het CBS definieert ‘onderzoeker’ als iemand die nieuwe kennis ontwikkelt, nieuwe producten bedenkt of ontwikkelt, nieuwe processen, methoden of systemen bedenkt of ontwikkelt, of leidinggeeft aan onderzoeksprojecten. Als de meerderheid van de gepromoveerden aan het buitendoctoren is en als de overgrote meerderheid van de gepromoveerden als onderzoeker werkt, dan kun je niet anders dan concluderen dat er meer wetenschap bedreven wordt buiten dan binnen de universiteit. Als je vervolgens kijkt naar de intellectuele uitdaging van het werk, dan blijkt dat 16% van de gepromoveerden werkzaam buiten de universiteit daar niet tevreden over is (dat is twee keer zo veel als binnen de universiteit). Ook over de eigen ontwikkelingsmogelijkheden zijn de CBS-gepromoveerden het minst tevreden (niet uitgesplitst naar binnen of buiten de universiteit). Hier laten werkgevers denk ik kansen liggen. Niet alleen promovendi moeten beter voorbereid worden op het buitendoctoren, ook werkgevers moeten beter nadenken over hoe ze de onderzoekstalenten die ze in huis halen beter tot hun recht kunnen laten komen.
Buitendoctoren en kenniseconomie zijn nauw aan elkaar verbonden. Wil Nederland aan een kenniseconomie bouwen, dan zal het buitendoctoren actief en beter ondersteund moeten worden, zowel in de voorbereiding daarop als in intellectueel aantrekkelijke loopbanen erna.
*Dit zijn cijfers van december 2018, verzameld in 2019.
Wat universiteiten qua loopbaan voor hun promovendi doen
In dit derde deel sta ik stil bij wat universiteiten zoal (moeten) doen om promovendi goed voor te bereiden op een loopbaan buiten hun eigen muren. Opvallend genoeg heet dit dan vaak ook meteen ‘buiten de wetenschap’. Hierboven heb ik al uitgelegd waardoor ik het daarmee oneens ben en in de laatste alinea van dit deel laat ik zien dat deze uitsluiting ook onnodig is.
Eerst maar eens wat universiteiten moeten doen. In artikel E.16 van de cao staat: “Partijen hebben afgesproken om het arbeidsmarktperspectief voor promovendi te verbeteren. Promovendi krijgen de tijd om binnen hun dienstverband de vereiste kwalificaties voor een verdere carrière in de wetenschap te behalen, dan wel voor loopbaanoriëntatie en het behalen van kwalificaties die leiden tot een breder arbeidsmarktperspectief. Daarnaast krijgen zij scholing op het gebied van het schrijven van onderzoeksaanvragen. Universiteiten zetten zich actief in om promovendi van werk naar werk te begeleiden.” In concreto betekent dit dat je met een aanstelling van twee jaar of langer op kosten van je werkgever een loopbaanadvies mag inwinnen bij een professionele organisatie (art. 6.5.3), jaarlijks een gesprek hebt met je direct leidinggevende over hoe je je loopbaan zal vervolgen en welke scholing je daarbij nodig hebt (art. 6.7.1), je jaarlijks minstens twee ontwikkelingsdagen krijgt om te werken aan je duurzame inzetbaarheid, binnen of buiten de universiteit (en in overleg kun je deze dagen sparen; art. 6.10.1), dat je werkgever je kan verplichten tot scholing (art. 6.10.2) en omgekeerd, dat jij recht hebt op scholing (art. 6.10.3). En tot slot, waar het Promovendi Netwerk Nederland zich met succes voor beijverd heeft: je kunt je aanstelling voor maximaal zes maanden onderbreken voor een stage of voor een deeltijdstage kiezen die niet langer is dan zes maal de arbeidsduur per maand (art. 2.3.6.c). Voorgaande schetst de mogelijkheden, maar geeft nog weinig concreet zicht op een inhoud. De enige meer gerichte voorbereiding op werk buiten de universiteit is die op een baan in het onderwijs: de werkgever faciliteert het behalen van basiskwalificatie onderwijs (BKO) als je een combinatiefunctie junior docent + promovendus hebt (art. 6.12.2).
Een korte search op het internet laat zien dat wat de universiteiten daadwerkelijk doen uiteenvalt in twee hoofdcategorieën. De eerste is gericht op de promovendus en bestaat uit bijvoorbeeld cursussen persoonlijke ontwikkeling en loopbaantraining/-coaching, reflectietools en persoonlijkheidstesten. De tweede is gericht op contact tussen de promovendus en mogelijke werkgevers en behelst onder andere events voor kennismaking met potentiële werkgevers en startposities, al dan niet in combinatie met zogenaamde transferable en netwerkskills, werkbezoeken en toegang tot netwerken van externe organisaties waarmee universiteiten al samenwerken en/of waar veel van hun voormalige promovendi werken.
Ik heb twee aanvullende suggesties voor universiteiten. De eerste is een aanvulling op het bestaande aanbod. Het lijkt erop dat de meeste voorbereidende activiteiten gericht zijn op toekomstig werknemerschap. Ik heb in elk geval niets kunt vinden over ondernemerschap (zie hierboven). Toch is ondernemerschap in veel gevallen een haalbare kaart; redelijk wat gebieden in de alfa- en gammadisciplines lenen zich prima voor consultancy, onderzoeksopdrachten (niche- of boetiekbureau) en expertisecentra die onderzoek, onderwijs en bijvoorbeeld cliëntondersteuning combineren. Dat kan van kleinschalig (eenmanszaak, zzp) tot grootschaliger; een interessante optie is klein beginnen en dan kijken of je wil uitbreiden. Voor dit kleine begin is volgens mij nog geen concreet aanbod in de loopbaanoriëntatie. Wel zetten universiteiten in op startups in de IT/(bio)medische sector, maar dat kan dus uitgebreid worden met meer disciplines.
De tweede aanvulling is om de verantwoordelijkheid voor een interessante wetenschappelijke loopbaan buiten de universiteit niet alleen op de schouders van de promovendi te leggen en het hooguit te laten bij het bieden van mogelijkheden om contacten met potentiële werkgevers te leggen, maar om mee te bouwen aan rijke netwerken waarin wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan. Sinds Gibbons en collega’s schreven over Modus 2 onderzoek* groeit de belangstelling naar wetenschappelijke kennisontwikkeling in netwerkverbanden waarin onderzoekers van universiteiten en daarbuiten samenwerken. Tot nu toe is dat nog vaak een redelijk strakke taakverdeling: de universiteit levert de onderzoekers, de andere partijen de praktijk. Die grens kan minder strikt als meer gepromoveerde onderzoekers in die praktijk werken. De opkomst van Open Science kan deze beweging versnellen. Samen onderzoeken, samen publiceren, samen congressen organiseren. Samen wetenschap bedrijven, dus. Het is er misschien al, maar ik zie nog nergens een expliciete relatie met loopbaanoriëntatie. Daar zou dus een wereld te winnen kunnen zijn.
* Zie bijvoorbeeld Gibbons, M., Nowotny, H., Schwartzman, S., Scott, P., & Trow, M. (1994). The New Production of Knowledge. Thousand Oaks: SAGE.
Werkgevers en hoogopgeleide kenniswerkers
Hierboven stond ik stil bij de academische arbeidsmarkt, bij wat de mogelijkheden voor buitendoctoren zijn en bij hoe universiteiten promovendi hierop (beter) zouden kunnen voorbereiden. In dit laatste deel schenk ik aandacht aan de werkgeverskant van het buitendoctoren.
De werkgeverskant valt uiteen in de profit en non-profit sector, grofweg bedrijfsleven en (semi-)overheid. Eerst maar eens die eerste. De samenwerking tussen universiteiten en het bedrijfsleven is in Nederland nog jong als het gaat over promoties. Ondernemersvereniging VNO-NCW pleitte al in 2015 voor een industrial doctorate naar Deens model, omdat deze voor zowel wetenschap als bedrijfsleven winst kan opleveren. In 2018 startte NWO met een pilot rond promoveren in het bedrijfsleven, waarin 16 promovendi aan de slag gingen. Dat de belangstelling groter was, blijkt uit het aantal aanvragers van ruim 145. Dat deze niet allemaal voldeden aan de kwaliteitseisen van NWO, blijkt uit een eerste selectie van 44 aanvragen. Inmiddels is dit programma waarschijnlijk stopgezet, de bijbehorende webpagina is verdwenen.
De term ‘industrial’ suggereert dat het bedrijfsleven synoniem is voor industrie en daarmee met name gaat over bètavraagstukken. Dat zou ik graag wat oprekken naar de oorspronkelijke betekenis, namelijk het collectief van bedrijven. Daarin is de industrie als secondaire sector te vinden, naast de primaire sector van voedselproductie en de tertiaire sector van de dienstverlening aan consumenten en het bedrijfsleven zelf. Met deze oprekking wordt duidelijk dat doctoren uit alle disciplines onderzoekswerk kunnen doen in en voor het bedrijfsleven. Daarvoor moet wel duidelijk zijn wat hun meerwaarde is.
Dan de overheid als werkgever (met uitzondering van universiteiten en universitaire ziekenhuizen). In Promoveren als bijbaan hebben Meike Bokhorst en Pauline Westerman de ervaringen gebundeld van buitenpromovendi die als ambtenaar aan een proefschrift over een overheidsvraagstuk werkten. Daarbij komt regelmatig naar voren dat politieke en wetenschappelijke belangen niet altijd hand in hand gaan. Dat geldt vaak ook voor werkgevers in de profitsector die niet gewend zijn aan het werken met wetenschappers, en dat brengt me bij die eerder genoemde meerwaarde.
Als gepromoveerde sollicitant kreeg ik vaak te horen dat ik overgekwalificeerd was. Regelmatig hoor ik uitspraken over de hyperspecialisatie van promovendi en de wat schamperende constatering dat dit hen ‘onbruikbaar’ maakt voor de wereld buiten de wetenschap (“Wat moet een energiebedrijf met iemand die alles weet van de verleden tijd in het Sanskriet?”). Het begrip transferable skills kan hier uitkomst bieden. Het verwijst naar alle vaardigheden die iemand tijdens het promoveren heeft ontwikkeld en die ook buiten de universiteit handig zijn: managen van een complex traject, communiceren met diverse publieken in diverse talen, kritisch nadenken en kennisproblemen creatief oplossen, budget beheren, complexe materie begrijpen, in de literatuur zoeken over wat al bekend is over een verschijnsel, een methode ontwerpen om meer te weten te komen, logisch redeneren, et cetera. Buitendoctoren zijn kenniswerkers, maar van een bijzonder soort. Transferable skills zeggen iets over hun bredere inzetbaarheid, maar sommige skills zijn niet uniek voor hen. Wat mensen die met succes een promotie hebben afgerond echt bijzonder maakt, is volgens mij hun epistemologische ontwikkeling. Dit zijn niet zo maar kenniswerkers, maar werkers die het begrip ‘kennis’ zelf aan een kritische reflectie hebben onderworpen. Wie die ontwikkeling niet zelf heeft doorgemaakt, kan gemakkelijk denken dat ‘die wetenschappers’ onnodig moeilijk lopen te doen. Wie haast heeft, bijvoorbeeld om een concurrentievoordeel te maken of te behouden, of wie geen pottenkijkers wil, bijvoorbeeld om een politiek voordeel te maken of te behouden, gaat voorbij aan de meerwaarde van beter inzicht in complexiteit. We leven in een complexe samenleving, waardoor ondoordachte acties als boemerangs terugkomen bij hun werpers, al is de tijd tussen worp en terugkomst meestal te lang om er een verband tussen te zien.* De puzzels waar we voor staan, kunnen niet met oude oplossingen aangepakt worden, want die blijken meer en vaker de ingrediënten van nieuwe puzzels te bevatten. En een van die ingrediënten betreft verouderde opvattingen over kennis. Wetenschappers doen dus niet onnodig moeilijk, maar nodig moeilijk. En dat is hun meerwaarde (ook als ze gepromoveerd zijn in Sanskriet). Als buitendoctoren dat steeds zelf moeten uitleggen of verdedigen, dan staan ze zwak. In het vorige deel had ik het daarom over rijke netwerken waarin universiteiten, werkgevers en ondernemers samenwerken aan wetenschap. Vanuit die samenwerking kan de meerwaarde dan zichtbaar worden, en het in dienst nemen van wetenschappers vanzelfsprekend.
Tot slot. Er zijn in Nederland veel kennis- en expertisecentra die eigen onderzoek doen naar diverse maatschappelijke thema’s en sectoren, al dan niet verbonden aan een politieke of anderszins ideologische partij. Voor hen speelt bovenstaand allicht een minder grote rol.
*) Dit is een metafoor. Een boemerang is bedoeld om prooidieren mee uit te schakelen. Een boemerang die terugkomt, is dus eigenlijk van een onbedoeld slechte worp.
Download Na de promotie en buiten de universiteit.