Independent scholar, cat addict, tattoo lover

In november 2013 meldde ik aan het College van Bestuur (CvB) van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR[1]) dat ik een aanzienlijke hoeveelheid plagiaat had aangetroffen in het proefschrift van ene A en dat het me op grond daarvan logisch leek dat de EUR de doctorstitel van A zou terugnemen; ook plaatste ik vraagtekens bij de begeleiding van A (meer hier)[2]. Het CvB formeerde hierop een Commissie Wetenschappelijke Integriteit (CWI), die mij na eigen onderzoek gelijk gaf en aan het College voor Promoties (CvP; die gaan daarover) adviseerde “het besluit tot het verlenen van het doctoraat … te herroepen” (p. 3; download hier).
Het CvB onderkende de ernst, maar besloot het CWI niet te volgen, omdat “‘plagiëren’ een zekere mate van onduidelijkheid oproept …: onder welke omstandigheden is sprake van ‘plagiaat’, en – de vervolgvraag – onder welke omstandigheden moet een vaststelling … van plagiaat leiden tot een oordeel dat maatregelen dienen te worden genomen tegen een beklaagde?” (p. 1; download hier).[3] Deze en allerlei andere verzachtende omstandigheden (A heeft met de begeleider over concepten overlegd, A heeft een zelf een plagiaatscan uitgevoerd, de begeleiding is volgens geëigende procedures verlopen, de (nog levende) geplagieerden hadden er zelf geen last van en het plagiaat stond in onbelangrijke delen van het proefschrift[4]), alsook het feit dat er geen sprake was van een volledig ontbreken van verantwoording, hebben het CvB doen besluiten om A een berisping te geven en een herkansing. Dat vond ik op z’n zachtst gezegd belachelijk (meer hier) en daarom heb ik een klacht ingediend bij het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI). Het verweer van het CvB daartegen was in grote lijnen hetzelfde beargumenteerd als zijn maatregelen jegens A en bevatte daarnaast ook een verwijzing naar het proportionaliteitsbeginsel, dat het CvB interpreteerde als verzachtende omstandigheid in de schuldvraag: de sanctie moet lager zijn naarmate de dader minder blaam treft en dit is het geval, want het plagiaat was niet willens en wetens en dus moest A beschermd worden tegen een begeleiding die wel beter had moeten weten. Een verrassende interpretatie, aangezien plagiërende studenten van de EUR hun titel wordt afgepakt en studenten van het hbo het diploma is afgepakt na gebleken falende begeleiding; het is dan volgens mij juist in lijn met het proportionaliteitsbeginsel dat bij een hoger examen de maatregel in elk geval niet lager is.

Het LOWI-advies staat sinds kort online (download hier[5]) en is volkomen helder over het oordeel: ik heb gelijk en ik heb geen gelijk. Met beide beslissingen ben ik het hartgrondig eens.
Het LOWI is het op basis van eigen onderzoek naar het proefschrift met mij eens over ernst en omvang van het plagiaat.[6] Daarmee is wat hem betreft het argument van “niet willens en wetens noch bewust” (p. 7) plagiaat invalide. Vervolgens gaat het LOWI in op de argumenten die het CvB in zijn verweer opnam. De kern van dat verweer was dat verrassend geïnterpreteerde proportionaliteitsbeginsel. De kern van de reactie van het LOWI is dat de “eigen verantwoordelijkheid voor schending van wetenschappelijke integriteit niet verminderd of weggenomen [wordt] door al of niet aanwijsbare oorzaken van het gedrag noch door de verwaarlozing van taken door begeleiders of andere betrokkenen” (p. 9). Het LOWI doet alle door het CvB bij elkaar gezochte verzachtende omstandigheden af als irrelevant.[6] Met andere woorden, het acht mijn klacht gegrond. Het heeft het daarnaast over een motiveringstekort van het CvB, dat “indien het zijn standpunt wil handhaven dat intrekking van de graadverlening … een niet gepaste en onevenredige sanctie is in verhouding tot de ernst van de overtreding, een andere en verbeterde grondslag [dient] te geven voor zijn besluit om zich te beperken tot een berisping” (p. 11).
Maar het LOWI geeft me ook geen gelijk, namelijk in mijn voorstel om A de doctorstitel af te nemen. Ook ik en de CWI vertonen een motiveringstekort. Over mij zegt het LOWI: “Zelf geeft Klager enkele summiere overwegingen waarom in dit geval van plagiaat een berisping niet evenredig is aan de ernst van de overtreding van de regels en een intrekking van de doctorsgraad wel” (p. 12). Dat kan kloppen, mijn kennis van het Nederlandse bestuursrecht is beperkt en mijn voorstel is vooral ingegeven door een gevoel van rechtvaardigheid, wat niet hetzelfde als bestuursrecht is. Over de CWI schrijft het: “De CWI gaat hier geheel voorbij aan het feit dat intrekking van een verleende doctorsgraad voor Nederland een enorm en zwaarwichtig precedent zal scheppen; dat hiervoor op dit moment geen wettelijke grondslag in de WHW [Wet hoger onderwijs] gegeven is en dat eventuele intrekking door de benadeelde doctor in beroep bij de bestuursrechter zal kunnen worden aangevochten” (p. 8; in België en Duitsland worden titels overigens wel gewoon afgepakt na gebleken fraude). De CWI en ik hebben in deze ons huiswerk dus niet gedaan en zijn daarmee het CvB niet behulpzaam geweest. Het LOWI is dat echter wel, en daar wordt het interessant. Het reikt het CvB namelijk twee zwaarwegende argumenten voor het heroverwegen van zijn besluit aan. Ten eerste is dat het belang van de samenleving en de wetenschap (overigens heb ik hier wel degelijk aan gerefereerd bij de melding van het plagiaat): zij moeten erop kunnen vertrouwen dat een doctorstitel eerlijk is verkregen en dat het proefschrift geen bedrog bevat. Ten tweede is dat het belang van de eigen instelling, waarvoor het CvB de zorgplicht heeft om goede naam en faam te bewaken. Dat het LOWI aankoerst op die heroverweging blijkt verder uit de twee opties die het aan het CvB voorlegt. De eerste is om zowel de sanctie als het niet opvolgen van het CWI-advies te handhaven, maar met een verbeterde motivering. Dit kan echter volgens het LOWI beschouwd worden “als een ‘tandeloze sanctie’ en als een stille goedkeuring van een ernstige vorm van plagiaat” (p. 13). De tweede optie is dat het CvB zijn heroverwogen besluit aan het CvP voorlegt; dat is immers het orgaan dat uiteindelijk beslist over toekennen van doctorsgraden. Dit is bij gebrek aan een wettelijke grondslag “een onzekere juridische weg”, maar “niet onmogelijk” (p. 13). Om het CvB op weg te helpen, geeft het LOWI als handvatten de informatieplicht (die A heeft verzuimd) en de onderzoeksplicht (die de begeleiding heeft verzuimd). Met andere woorden, het LOWI geeft mij via een omweg gelijk in mijn voorstel om de doctorsgraad terug te pakken.

Ik ben tevreden over dit LOWI-advies aan het CvB. Voor mij als wetenschapper is het belangrijk om gelijk te krijgen van mijn gelijken. In het hele proces heb ik daarnaast ook van veel andere mensen steun gekregen, onder andere van hen die de klacht aan het LOWI mee hebben ondertekend. Dat was erg fijn. Ik heb echter ook kritiek gekregen. Dat is niet erg, ik kan kritiek hebben als iedere andere academicus. Die kritiek was naar mijn oordeel gebaseerd op oneigenlijke argumenten en/of ongehinderd door enige dossierkennis. Het eerste argument was dat A al genoeg had geleden en zielig was. Ik ken mensen in nare omstandigheden die intelligentere dingen zeggen, die geven we ook niet een titel als troost. En laten we niet vergeten dat er via de promotiepremie € 90.000,= aan publiek geld met deze kwestie gemoeid is. Er zijn betere wegen om dit te besteden aan mensen in narigheid. Het tweede was, analoog aan het argument van het CvB, dat plagiaat zo’n diffuus begrip was. Dat is het niet, er zijn heldere regels voor citeren; dit argument zegt meer over de slordigheid en onverschilligheid van deze criticasters dan over mijn actie. Het derde was dat mijn actie een offensief was tegen A als persoon. Ik heb niks tegen A als persoon, ik heb iets tegen A als doctor. Het is bovendien onmogelijk om plagiaat te melden zonder daarbij de plagieerder te betrekken. Wat mij wel verbaasd heeft, was dat wetenschappers zich wel eens hardop afvroegen waar ik me zo druk over maakte. Als de kwaliteit en ethiek van je vak onderaan je prioriteitenlijst hangen, wat vind je dan wel belangrijk? Dat vraag ik me dan hardop af. Alle betrokkenen van de EUR, A zelf, begeleider en CvB, wekken in hun gedrag de schijn dat ze plagiaat niet zo serieus nemen. Ik kan naar de motieven daarvan slechts gissen, maar integriteit is voor mij een groot goed; wie daar zo luchtig mee omgaat als in deze casus gedaan is, hoeft niet op lankmoedigheid van mijn kant te rekenen.

Tot slot: ik zou het bijzonder jammer vinden wanneer de EUR niet in de gelegenheid komt om de door het LOWI gewezen gang te maken, bijvoorbeeld omdat het herkanste proefschrift van A als nog wordt goedgekeurd (in het CvB-besluit staat trouwens niet wat er  gebeurt als dat niet zo is), of omdat A al dan niet onder zachte dwang besluit vrijwillig haar titel terug te geven (zoals Diederik Stapel heeft gedaan). Daarmee hebben immers gedane zaken hun keer genomen en blijft een kans onbenut om dit soort misstanden in de toekomst te voorkomen. De EUR beraadt zich nog op haar definitieve beslissing. Ik hoop dat deze universiteit daarbij haar naamgever eer aandoet.

---

[1] Het gaat om een geanonimiseerd geval, maar omdat de EUR zelf haar documenten hierover op internet heeft gezet en daarin naar zichzelf verwijst, neem ik hier de naam van de betreffende universiteit op. De naam van de promovendus heb ik zelf nooit gebruikt en altijd afgekort met ‘A’ (van auteur(sduo)), hoewel de echte naam redelijk gemakkelijk is te achterhalen in andere internetpublicaties (waaronder het proefschrift van A).

[2] Daarnaast adviseerde het CWI een onderzoek naar de begeleiding van A, die “kennelijk onvoldoende en verwijtbaar inadequaat is geweest” (p. 3). Tot slot nam het CWI in haar advies een aantal maatregelen op ten aanzien van de samenstelling van de kleine commissie; die “was onvoldoende onafhankelijk (samengesteld uit direct betrokkenen van promotor en promovendus) en een van de leden was afkomstig uit een niet aanpalend vakgebied en had geen wetenschappelijke kennis van het onderwerp en behoorde tot de kennissenkring van de promovendus. Aan de kritiek die een van de leden schriftelijk heeft geformuleerd is onvoldoende gehoor gegeven” (p. 3). Hier zal ik me om verwarring te voorkomen concentreren op mijn klacht over de doctorstitel van A.

[3] Het CvB heeft ook een onderzoek ingesteld naar de begeleider van A en naar de proefschriften van andere promovendi die onder zijn begeleiding tot stand zijn gekomen; dat onderzoek is nog niet afgerond.

[4] Het CvB het heeft over 19 van zo’n 160 pagina’s. Dat zijn er feitelijk 153 en 19 pagina’s daarvan is 12,4%. Ik heb het pdf-bestand gekopieerd naar een word-bestand, met weglating van “Woord vooraf” en de tekst vanaf de samenvatting. Dat zijn in totaal 53.400 woorden op 153 pagina’s. Bij weglating van de geplagieerde tekst, blijven er 44.630 woorden over; de geplagieerde tekst telt dus 8.770 woorden en dat is 16,4%. Volgens de EUR is een score van 10% of meer een hoge plagiaatscore (meer hier). Dan is er nog een substantieel stuk tekst waar een bronvermelding bij staat, maar die A alleen gebruikt ter ondersteuning van de conclusies (er zijn geen concurrerende theorieën of standpunten); het gaat om 12.917 woorden en als we ook die weghalen, dan blijkt dat A 31.713 woorden zelf heeft geschreven. Dat is net 60%. Het lijkt me lastig om vol te houden dat het overgeschreven werk een onbelangrijk deel van het proefschrift is.

[5] Op p. 11 staat het dat LOWI zich afvraagt waarom klager A niet eerder heeft gewaarschuwd. Dat is een terechte vraag die ik hier graag beantwoord: ik ben bij de begeleiding van het proefschrift zoals het verdedigd is op geen enkele wijze betrokken geweest.

[6] Het LOWI constateert op pagina 6 dat sprake is van “bewuste overname”, een “ernstige vorm van plagiaat”, dat “de juiste en correcte verwijzingen naar dit werk … zijn weggelaten en vervangen door een inadequate en daardoor onbegrijpelijke verwijzing naar een andere bron”, dat op “onbegrijpelijke … volstrekt incorrecte wijze wordt gerefereerd naar deze auteur”, dat sprake is van “het plagiëren van secundaire bronnen”. Samenvattend: “Het LOWI kan niet aan de indruk ontkomen dat deze vorm van bronvermelding en het niet controleren van oorspronkelijke bronnen, een terugkerend patroon is geworden in het gehele proefschrift” (p. 5).

[7] Dat A noch begeleider onbekend waren met het verbod op plagiaat in wetenschappelijk werk noemt het LOWI “uiterst onwaarschijnlijk, zelfs ongeloofwaardig”; het overleg tussen A en begeleider “spreekt vanzelf (het tegenovergestelde is verontrustend)” en dat de scan geen resultaat opleverde is ook “verontrustend”, maar beide argumenten ontheffen A niet van eigen verantwoordelijkheid; dat begeleiding en beoordeling “schromelijk tekort geschoten zijn” is volgens het LOWI duidelijk genoeg, maar ook dat “is irrelevant voor het primaat van de eigen verantwoordelijkheid”; dat geplagieerden geen bezwaar hadden gemaakt is volgens LOWI een “uiterst gevaarlijk en onhoudbaar argument” dat slechts leidt tot “willekeur, rechtsongelijkheid en volstrekte onduidelijkheid wanneer plagiaat wel en niet leidt tot sancties” omdat het integriteit afhankelijk maakt “van de willekeurige opstelling van geplagieerden”; dat de geplagieerde tekst onbelangrijk was noemt het LOWI een “gevaarlijk en onhoudbaar argument’ omdat voor plagiaat alle tekst gelijk is; en het verweer dat er geen sprake was van een volledig ontbreken van enige verantwoording schuift het LOWI ter zijde met verwijzing naar de vastgestelde ernst en omvang van plagiaat van primaire en secundaire bronnen (p. 10 en 11).

---

Gerelateerde stukken:

Sorry wetenschap, ik heb verzaakt #plagiaat

‘dr. A’ mag op herkansing

Rapport Commissie Wetenschappelijke Integriteit. Melding plagiaat in proefschrift – april 2014

Besluit CvB naar aanleiding van melding plagiaat – 12 juni 2014

EUR berispt gepromoveerde, persbericht EUR dd 12 juni

Plagiaat in proefschrift ontdekt, Erasmus Magazine 12 juni 2014

Rector over plagiaat: het is wake up call, Erasmus Magazine 12 juni 2014

EUR over fraude en plagiaat bij werkstukken, scripties en tentamens

Plagiërende studenten: straffen en opvoeden, Erasmus Magazine (saillant detail: hierin komt ook A’s begeleider als deskundige inzake plagiaat aan het woord)

LOWi advies 2014, nr. 10