Independent scholar, cat addict, tattoo lover

Als je het zo ziet staan, ‘Voorbereid op de verrassing’, dan lijkt het een vreemde combinatie van elkaar uitsluitende elementen. Want als je voorbereid bent, is er geen ruimte voor verrassing; en als je verrast wordt, dan ben je niet voorbereid. Lyotard schiet te hulp om ons uit deze schijnbare paradox te halen.    

Ferdinand de Saussure brak aan het begin van de vorige eeuw met de tot dan toe geldende vanzelfsprekendheid dat er een directe relatie is tussen het woord en datgene waar het woord naar verwijst. Margueritte verwerkte dit thema in meerdere schilderijen, waaronder het werk ‘Ce-ci n’est pas une pipe’. En inderdaad: wat we zien is geen pijp, maar een afbeelding van een pijp. Het loslaten van het idee dat het woord hetzelfde is als dat waar het naar verwijst, heeft de weg vrijgemaakt voor het denken in termen van representaties. Dingen en mensen hebben geen inherente eigenschappen, maar worden eigenschappen toegedicht op grond van cultuur. Of, zoals Simone de Beauvoir verwoordde: “Men wordt niet als vrouw geboren, maar wordt er een.”

Een staat van permanente nieuwsgierigheid
Waar cultuur de representaties reguleert – of: via representaties regeert – ontstaat onderdrukking. In het werk van Jean-François Lyotard wordt dit verder uitgewerkt. Lyotard stelt dat elk discours, tot op het niveau van elke zin, contingent is: er zijn oneindig veel discoursen – en zinnen – mogelijk, maar door de dimensie van de tijd is er slechts voor één discours plaats. Dat discours verdringt de andere mogelijkheden en dat is volgens Lyotard al een vorm van terreur. Het ene discours kan ook niet vertaald worden in een ander discours: discoursen sluiten elkaar uit. Het is niet fout om mensen in een bepaald discours te beschrijven, maar er zijn meerdere opties; zodra één discours de andere opties verdringt, is sprake van terreur. Binnen het vigerende discours worden de signalen van de verdrongen discoursen niet gehoord. Er is altijd een discours gaande (ook zwijgen is deelnemen) en omdat discoursen elkaar uitsluiten en dus opeenvolgend zijn, moeten we volgens Lyotard altijd reageren op, ons blijvend verzetten tegen het onrecht van de laatste zin. Zinnen in een bepaald discours nodigen uit of verleiden tot vervolgenzinnen binnen datzelfde discours. Of ze dat inderdaad doen, drukt hij uit in de vraag ‘arrive-t-il’ (gebeurt het)? Door ons in deze permanente staat van nieuwsgierigheid te houden, kunnen we onszelf alert houden op het feit dat andere zinnen of discoursen óók mogelijk waren geweest.

Het einde van de geschiedenis
Volgens Lyotard houdt het technologisch-wetenschappelijke discours de stoel lange tijd bezet en verdrukt dit discours andere mogelijkheden.  Het technologisch-wetenschappelijke discours past binnen het moderne denken, dat een lineariteit en een doelmatigheid veronderstelt: de geschiedenis streeft naar perfectie. Als dat zo is, zo vraagt Lyotard zich af, hoe kunnen we Auschwitz dan ‘verklaren’? Nee, volgens hem hebben we te maken met het einde van de geschiedenis, of beter: moeten we de interpretatie van de geschiedenis als zijnde ‘lineair en doelmatig’ verwerpen. Het enige wat geldt is het ‘nu’. De moderne redelijkheid, verpakt in logo-centrisme, is gewelddadig, omdat het de wereld in een theorie representeert. Daarbij gaat het om interpretaties, redeneringen, representaties, en daarmee onvermijdelijk om kwalificaties, tegenstellingen en hiërarchieën. Dat wat het totalitaire verhaal van de vooruitgang – zoals verpakt in uiteenlopende grote verhalen over heilstaten en hemels – in de weg staat, wordt gezien als een obstakel.

Het onzegbare
Maar soms worden we verrast door zaken die laten zien dat de theorie die bij het moderne project hoort niet deugt: het ruimtelijke en het figurale. Inspirerende beelden, verbazingwekkende vormen, veelzeggend zwijgen, alles wat ons even wakker schudt en de manco’s in de ‘theorie’ toont. Geen nieuwe ‘theorie’, maar een golf van spontaniteit en verbeeldingskracht: er gebeurt iets. Dit ‘onzegbare’ is juist door de afwezige dominantie van taal niet eenvoudig te representeren en kan ook niet gemakkelijk beredeneerd of voorzien worden. Het is er plotseling en je kunt er gebruik van maken als je ervoor open staat. Het gaat om gevoeligheid voor datgene wat zich niet laat zeggen, of, zoals Isadora Duncan zei: “Als ik zou kunnen zeggen wat het betekende, zou het geen zin hebben het te dansen”. Lyotard noemt dat ‘passibilité’, een toestand van overgave en bereidwilligheid je te laten verleiden tot iets nieuws.”Passibilité verschilt maar één letter van possibilité (mogelijkheid). De gelijkenis tussen de woorden is bewust. Je moet geen mogelijkheid willen uitsluiten, zegt Lyotard, je moet geen vaste grond onder de voeten zoeken, je moet juist proberen om te blijven wankelen. Vandaar dat Lyotard ook spreekt over de noodzaak om het zelfbeeld zoveel mogelijk af te breken. Door niet een specifiek ‘iets’ te willen zijn, kan men verleid worden door het evenement en is de bevrijding van het altijd aanwezige onrecht mogelijk. […] David Byrne, voorman van de Talking Heads zong ooit: ‘We’re on a road to nowhere.’ Lyotard zou zich daar in kunnen vinden. Hij zou er niet om treuren, want zelden waren we zo ontspannen op reis en hadden we zoveel aandacht voor details in het landschap langs de weg” (Eskens, 2003, p 11-12 en p. 16).

Denken en taal
Lyotard onderscheidt twee vormen van taal. In de eerste vorm is de taal een instrument om de geest te voorzien van zo exact mogelijke informatie van de werkelijkheid, een instrument om die werkelijkheid te controleren en te overheersen als onderdeel van het rationaliseringsproces. In de tweede vorm heeft taal niet als enige doel de objecten waarnaar ze verwijst uitputtend te beschrijven. Niet-instrumentele-niet-rationele taal, zoals muziek, poëzie, literatuur, vrije conversatie, beeldende kunst en dagelijks taalgebruik, kan voorvallen creëren zonder de regels te kennen die aan deze creatie ten grondslag liggen en wil deze regels ook niet altijd kennen. Spontaniteit en verrassing zijn in deze vorm aspecten van productieve verbeelding, die op haar beurt kan gebeuren door passibilité, ontvankelijkheid. Deze tweede vorm wordt door de eerste vorm ontkend, maar: “Alleen het ontvankelijk zijn voor datgene waarop het denken niet voorbereid is, verdient denken genoemd te worden. […] Denken wil zeggen alle dingen bevragen, ook het denken zelf, de vraag en het proces. Welnu, voor het bevragen is het nodig dat er iets gebeurt waarvan de grond nog niet bekend is. Als men denkt, accepteert men het voorval voor wat het is: ‘nog niet’ bepaald. Er wordt geen vooroordeel over geveld en er wordt geen zekerheid aan ontleend” (Lyotard 2003, p. 257). Zo bezien is ‘voorbereid op de verrassing’ geen paradox, maar een grondhouding die accepteert dat alles voorlopig is en de pijn van ambivalentie draagt.

Eskens (2003). Dit is Lyotard. Zijn belangrijkste geschriften. Kampem: Uitgeverij Agora.
Lyotard (2003). Het onmenselijke, causerieën over de tijd. In Eskens, Dit is Lyotard. Zijn belangrijkste geschriften. Kampen: Uitgeverij Agora.
Aanbevolen: Kunnenman (1996). Van theemutscultuur naar walkman-ego. Contouren van postmoderne individualiteit. Amsterdam/Meppel: Boom.

Basten (2004). Voorbereid op de verrassing. NVOA-Nieuws; Themanummer Vraagstuk zoekt leider, 2 (13-15).