Independent scholar, cat addict, tattoo lover

Wie uitgaat van een bipolair model moet kiezen. Dat deden Bakker e.a. in Holland Management Review (nummer 103, 2005). Maar zijn wij wel zo Rijnlands? Wel nee. En willen we wel zo Rijnlands zijn? Ook niet. Moeten we het Rijnlandse model maar vergeten? Evenmin. Wat dan wel?1

De term ‘Rijnland’ lijkt steeds vaker een weemoedig verlangen naar het verleden op te roepen. Daarentegen staat de term ‘Anglo-Saksisch’ meer en meer voor het verketteren van een lamlendig heden. ‘Wij vinden deze groeiende invloed van het Anglo-Amerikaanse model zorgelijk’, schrijven Bakker e.a., ‘Het traditioneel Europese, “Rijnlandse” denken, waarin de belangen van alle stakeholders in samenleving en organisaties serieus worden genomen, is onze keuze.’2 In deze bijdrage laat ik zien dat Nederland nooit een zuiver Rijnlands model is geweest, en dat het extrapoleren van het Rijnlandse en het Anglo-Saksische meer een ideologische dan een empirische kwestie is. Daarna ga ik in op de vraag of het een goed idee zou zijn om ons een zuiver Rijnlands model aan te meten. Vervolgens pleit ik ervoor het Rijnlandse model niet zo maar te vergeten. Tot slot sta ik stil bij een aantal Nederlandse kenmerken die in geen van de modellen aan de orde komen en die naar mijn mening wel belangrijk genoeg zijn om erkend te worden.

Zijn wij wel zo Rijnlands?
Wel nee. Het is een vooral academisch experiment om met zuivere modellen te werken. Nederlanders hebben net zo goed aan het Anglo-Saksische model bijgedragen als andere volkeren. Wat te denken van de middeleeuwse gezagsdragers en usurpators die van de afwezigheid van centraal gezag profiteerden door zich de economische en persoonlijke rechten toe te eigenen van de horige bevolking onder het mom van verdediging tegen de Denen, die in de negende en tiende eeuw de Europese westkust plunderden?3 Hoe zinvol is het om dit Anglo-Saksisch te noemen? De commerciële revolutie ontstond onder andere door levendig handelsverkeer tussen Friezen, Hollanders, Engelsen, Fransen, Duitsers, Denen en Zweden, waardoor jaarmarkten en handelscentra ontsproten. De Europese handel, inclusief de Britse, was een smeltkroes waarin alle volkeren en religieuze gezindten hun bijdrage leverden aan de geboorte van het kapitalisme. Kapitalisme dat ook aan de wieg stond van de Nederlandse uitvinding van het aandeel; zonder deze uitvinding had de VOC niet de groei en welvaart gebracht die haar en Nederland wereldberoemd maakten. En over VOC gesproken: ook geen club met een traditie van overleg en aandacht voor de belangen van alle betrokkenen, klanten en leveranciers incluis. We zijn van oudsher minstens zo Anglo-Saksisch als dat we Rijnlands zijn, en meer. En de Anglo-Saksen zijn minstens net zo Rijnlands, gezien hun belangstelling voor de succesvolle economische modellen van Frankrijk, Duitsland, Zweden en Japan.4

Het is niet nodig de keuze tot twee modellen te beperken, noch om Nederland bij het Rijnland onder te brengen. Nelson en Zadek onderscheiden het Deense, het Anglo-Saksische, het Rijnlandse en het poldermodel. De laatste drie modellen kennen tripartiet overleg rond arbeidsmarktvraagstukken, maar verschillen in de mate van formeel en gestructureerd overleg en in de initiatiefnemers. Het Deense en poldermodel vertonen de meeste gelijkenis.5 Ook Esping-Andersen deelt de Nederlandse economische orde in bij het sociaal-democratische of Scandinavische model.6 Cox geeft daarvoor de verklaring dat Deense en Nederlandse beleidsmakers – beter dan hun Duitse collegae – in staat waren de publieke perceptie te bespelen op weg naar grootschalige hervormingen (die niets weg hadden van Reagans of Thatchers grootschalige snijden en dus ook niet Anglo-Saksisch waren). De Denen deden dit door terug te grijpen op oude waarden en de grondwet, de Nederlanders door het gerespecteerde concept van loonmatiging een nieuw doel te geven en door gebruik te maken van de toestroom van vrouwen op de arbeidsmarkt, waardoor flexibilisering – en daarmee het afbreken van sociale verzekeringen en voorzieningen – bespreekbaar werd: ‘By taking well-entrenched ideas about how the Dutch welfare state operated and recasting them in ways that made big reforms appear to be consistent with those ideas, Dutch policymakers shaped a path for welfare reform.’7 Katzenstein voegt Nederland bij andere kleine Europese staten, die door de perceptie van economische en andersoortige kwetsbaarheid geneigd zijn tot genereuze verzorgingstaken in corporatistische regimes. Daarbij hanteren kleine staten verschillende strategieën (Noorwegen en Denemarken dichter tegen het sociale uiterste van een continuüm, Nederland en België dichter bij het liberale uiterste en Zweden ergens in het midden), maar bereiken ze dezelfde doelen. Katzenstein plaatst de grootschalige hervorming in Nederland in historisch perspectief, waarbij de naoorlogse verzorgingsstaat onhoudbaar bleek. Aan Cox’s verklaring voegt hij bovendien omvang toe: ‘[…] small size favours debate and learning and economic openness and the probability of greater loss. Hence the environmental conditions in which small states operate are particularly conducive for high learning. […] Openness and vulnerability does not, however, dictate the outcome of a high learning corporatist politics. Rather, it creates a contested political space which creates the opportunity for domestic actors to learn and adapt.’8 Sapir presenteert vier modellen: het Scandinavische (Denemarken, Zweden, Finland en Nederland), het Anglo-Saksische (Ierland en Groot Brittannië), Het Continentale (Oostenrijk, België, Frankrijk, Duitsland en Luxemburg) en het Mediterrane (Griekenland, Italië, Portugal en Spanje). Van deze vier modellen zijn de eerste twee efficiënt, maar weet alleen het Scandinavische model efficiëntie te combineren met sociale rechtvaardigheid door werkloosheidsuitkeringen én soepel ontslagrecht. De beide laatste modellen zijn onhoudbaar en deze landen zullen economische en sociale hervormingen moeten implementeren naar Scandinavisch of Anglo-Saksisch model.9 Daarbij valt op te merken dat alle modellen dezelfde basis delen: Hall en Soskice onderscheiden twee ideaaltypische basismodellen van institutionalisering. De liberale markteconomie coördineert economische interacties door de organisatie van individueel economisch handelen via ondernemingen en door het optreden van die ondernemingen en andere partijen op vrije markten, dus van vraag en aanbod en van concurrentie. De gecoördineerde markteconomie veronderstelt de liberale markteconomie, maar voegt daar overleg of samenwerking aan toe om de risico’s van de markt te beperken. Nederland is volgens Hall en Soskice een voorbeeld van dat laatste model.10 De politiek-economische geschiedenis van de twintigste eeuw laat zien dat Nederland gekenmerkt wordt door een va-et-vient van interventionistisch staatsgedrag.11 Over een traditie van overleg is Peet kritisch: ‘Men kan inderdaad in het bestuur van de Nederlandse samenleving sinds de zeventiende eeuw met enige goede wil een cultuur van tolerantie, overleg en consensusvorming onderkennen. Maar van een rechtstreekse vertaling en onveranderde overerving van deze cultuur van de zeventiende naar de twintigste eeuw is geen sprake. Er zijn kortere en langere etatistische intermezzi.’12

Er is dus geen enkele reden om een nostalgisch appèl te doen op een Rijnlands verleden, want dat hebben we niet zonder meer. Waarom dan extrapoleren en prefereren? Wat vindt Albert, de heruitvinder van beide modellen, zelf eigenlijk? Is het denkbaar dat hij een hybride vorm verkiest met de sterke punten uit beide modellen, zodat hij daarmee een Franse variant kan verkiezen boven de modellen van beide aartsvijanden? Zijn anti-Amerikaanse sentimenten en Germaanse nabijheid voor Nederlandse auteurs aanleiding om het Rijnlandse model te verheerlijken, ondanks het grotere aantal minpunten (bijvoorbeeld zoals opgesomd in Bakker e.a., 2005)? Heeft jaloezie iets mee te maken met de aanval die op het Anglo-Saksische model is ingezet? ‘Wat beide auteurs [Brouwer en Moerman] steekt’, zo staat in Superieure Rijnlanders, ‘is de achteloze vanzelfsprekendheid waarmee het Angelsaksische business- en organisatiemodel de wereld heeft veroverd.’13 Geld en invloed gaan naar de Amerikanen, ondanks de inferioriteit van hun model. In antwoord daarop verwijzen naar een verliezend superieur model dat nog niet eens goed uitgewerkt is, klinkt niet geloofwaardig, vooral omdat die keuze arbitrair lijkt bij het ruime aanbod aan andere modellen. Is het al te cynisch te concluderen dat hier alvast een markt gecreëerd wordt voor ‘Rijnlands advies’ vanuit de gedachte dat een halve maar stoere boodschap beter verkoopt dan een genuanceerd verhaal? De emotionele lading van de discussianten uit het Rijnland-kamp blijkt uit het gebrek aan samenhang in de kritiek, bijvoorbeeld in datzelfde artikel, waarin staat dat ‘hun vertrouwen in de markt is gebaseerd op geloof in plaats van onderbouwde modellen’ én dat het ‘probleem is dat er eigenlijk geen alternatief is voor het Angelsaksische businessmodel [...] Dat model is goed uitgewerkt en wordt goed gepromoot.’ Nederland is er duidelijk nog niet uit. In Kenniseconomie vraagt actieve houding staat: ‘Het Rijnlandse model waarop de verhoudingen in ons land zijn gebaseerd [...] is van nature beter uitgerust om tot kennisuitwisseling te komen, maar lijdt tegelijkertijd aan een gebrek tot actie door het eindeloos overleggen. [...] Weg met het poldermodel.’14 Opvallend genoeg is Weggeman co-auteur van zowel dit artikel, als van het artikel waarin staat: ‘De Rijnlandse benadering, aangepast aan deze tijd, aan de mogelijkheden van deze tijd, is in onze ogen op termijn superieur.’15 Vanwaar dit vertrouwen in de superioriteit van een blijkbaar nog niet goed uitgedacht model én een appèl op een glansrijke historie? De cris de coeur waar deze artikelen representanten van schijnen te zijn, is geen onderbouwde reactie, maar een ‘wij weten nog niet wat dan wel, maar we willen in elk geval niet (meer) Amerikaans zijn’. Het is onduidelijk waarom de discussie niet gaat over de meer neutrale ontwerpgerichte en ontwikkelingsgerichte tradities en hun voor- en nadelen,16 maar over modellen die historisch-geografische domeinen afbakenen. De keuze voor een zuiver model dat ook nog eens superieur wordt genoemd, vind ik daarmee verdacht. Een dergelijke keuze zou ons niet alleen solistisch (of zelfs fascistisch kunnen) maken, maar we zouden er ook onze ogen mee sluiten voor onze eigen duistere (sexy, verleidelijke, hebberige, ambitieuze, …) kanten, die we in een collectieve catharsis ‘Anglo-Saksisch’, on-eigen noemen.

Willen we wel zo Rijnlands zijn?
Ook niet. Eén van de nadelen van het voortdurende overleg is dat we niet meer aan andere dingen toekomen; voor wie die andere dingen zwaarder wegen, is de weg tot het overleg ontoegankelijk. Immers, zoals Phillips stelt: ‘Participation implies activity, and yet activity is always a minority affair. By setting the requirements for participation impossibly high, theorists of participatory democracy are said to promote a politics that becomes “unrepresentative” and unequal, for while most citizens can manage an occasional foray into the polling booth, few are willing or able to take on more continuous engagement, and the power then slips into the hands of those who most love politics. Representative democracy claims to solve this conundrum by removing the requirement for physical presence. As long as there is a minimal level of equality in the act of voting, then the representation can be said to be equal; we do not have to commit ourselves additionally to the hard labour of political life.’17 De vraag of we wel zo goed vertegenwoordigd zijn, maakt het overleg als daad op zichzelf problematisch: wiens belangen staan centraal, wie mag de belangen behartigen en welke argumenten worden daarbij redelijk gevonden? Is er dus wel, zoals het Rijnlands model veronderstelt, een eenduidig ‘we’? Nee, aldus Phillips: ‘In the heterogeneous societies contained by the modern nation state, there is no transparently obvious “public interest”, but rather a multiplicity of different and potentially conflicting interests which must be acknowledged and held in check.’18 Cox trok zijn conclusies over Nederlandse en Deense beleidsmakers naar aanleiding van een sociaal-constructivistische analyse: ‘Because welfare states do not need to reform, people must want them to reform. Yet the reform process is a political one, meaning that it will not be readily evident to all political actors that reform is necessary. […] In a political environment the advocates of reform need to employ strategies to overcome the scepticism of others and persuade them of the importance of the reform. In other words, they must create a discourse that changes the collective understanding of the welfare state […].’19

Wanneer collectieven onderling of met elkaar in gesprek gaan, is het altijd de vraag wie de agenda bepaalt. Het publieke domein van Habermas is een geïnstitutionaliseerde arena van discursieve interacties, een verzameling privé-personen die kwesties van publiek of gedeeld belang bespreken en zo de ‘publieke opinie’ vormen; maar, zo vraagt Fraser zich af: ‘[…] does everyone really participate on a par with one another in public discourse?’20 Dit is tot nog toe een utopie gebleken, op de eerste plaats omdat het publieke domein niet voor iedereen toegankelijk kon of mocht worden gemaakt en op de tweede plaats doordat het onmogelijk was een gedeeld publiek belang te vinden zonder daarbij economische en politieke belangen te betrekken. Het publieke domein is immers geen cultureel vacuüm. Wat evenwel volgens Fraser van fundamenteler belang is, is de constatering dat er een officieel publiek domein is en dat er daarnaast een veelheid aan publieke domeinen is, gevormd door mensen die om de een of andere (zelfgekozen) reden niet meedoen aan het officiële publieke domein. Ze maakt een onderscheid tussen the public, subaltern counterpublics en enclaves (bij Castells heten ze respectievelijk legitimizing, project en resistance identities21). Het officiële publieke domein is het liberale, burgerlijke domein dat erin geslaagd is als vanzelfsprekend als publieke opinie naar voren te komen. Deze vanzelfsprekendheid noemt Lakoff unmarked, onopvallend. Het is het discours (en haar gebruikers) dat als normaal geldt en waar alle andere discoursen (en hun gebruikers) van afwijken.22 Als we het Rijnlandse model willen, dan zullen we er rekening mee moeten houden dat de elementen van het overleg en het gemeenschapsdenken in de praktijk geenszins neutrale categorieën zijn, maar ingevuld worden door de taal en definities van hen die het letterlijk voor het zeggen hebben. Nieuwkomers in dit overleg, en dat zijn met name lagere sociale klassen en/of vrouwen en/of allochtonen en/of gehandicapten,23 zullen ofwel de bestaande taal moeten leren (volgens Lyotard is dan sprake van gewelddadige disciplinering24), ofwel een manier zien te vinden waarop hun eigen taal onderdeel van het gangbare discours kan worden (en dat is gezien de bestaande machtsverhoudingen geen sine cure). Ook in het artikel van Bakker e.a. worden als nadelen genoemd dat er te veel wordt overlegd (wat verhullend werkt) en dat er sprake is van bevoogding en morele druk.25 Dit is volgens mij echter niet ‘een’ nadeel, maar ‘HET’ nadeel.

Om terug te komen op de bipolaire keuze – óf Rijnlands, óf Anglo-Saksisch – wil ik nog even stilstaan bij de volgende vraag: mogen we als we Rijnlands worden geen Anglo-Saksische trekken meer vertonen? Die indruk wordt door de keuze zo dwingend te stellen gewekt. Wat wellicht vergeten wordt, is dat aandelen niet inherent slecht zijn; in ontwikkelingssamenwerking wordt steeds vaker met aandelenstructuren gewerkt om te garanderen dat de producenten in ontwikkelingslanden hun winst kunnen verhogen. Zo is de Ghanese cacaocoöperatie Kuapa Kokoo sinds 1998 aandeelhouder van het Britse (sic!) chocoladebedrijf de Day Chocolate Company26 en is het Peruviaanse Rainforest Trading een exportbedrijf waarvan de koffiecoöperaties aandeelhouder zijn.27 Bij een radicale afwijzing van het Anglo-Saksische model lopen we het risico elementen weg te gooien die we misschien beter kritisch en creatief opnieuw kunnen overdenken.

Mogen we als we Rijnlands worden überhaupt nog andere trekken vertonen? Hier wreekt zich de naamgeving van het model, want wat is precies het Rijnland? De geografische en culturele afbakeningen lijken niet overeen te komen; volgens Albert is het heel West-Europa, volgens mijn atlas is het de Duitse Rijnvallei, volgens sommige auteurs hoort Japan erbij, volgens andere is het verstandig om ook binnen het gebied variatie aan te brengen. Het is in geen geval Midden- of Oost-Europa, terwijl Vanheeswijck in zijn prikkelende Lachen om de wereld. Dwarsliggers in het Europese denken de historische verwantschap van het West-Europese met die contreien overtuigend laat zien.28 Wat mij betreft dekt ‘Rijnland’ zowel cultureel als geografisch niet de lading. Het sluit in naamgeving bij voorbaat regio’s uit, die inmiddels bij de EU zijn gaan horen, en het legt te veel culturele verscheidenheid op een procrustesbed, daarbij het tekort pijnlijk oprekkend en het teveel even pijnlijk afsnijdend. Een model is niet meer dan een vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid: handig om complexiteit te reduceren, maar onbruikbaar als morele richtlijn.

Moeten we het Rijnlands model dan maar vergeten?
Evenmin. Er lijkt overeenstemming te zijn over de noodzaak om ook het Rijnlandse model te hervormen, alleen is het onduidelijk hoe het hernieuwde model eruit komt te zien. Zo zegt Dahrendorf dat een werkelijk moderne economie een diensteneconomie is die hoogwaardige kennisactiviteiten combineert met onmisbare banen op het gebied van persoonlijke dienstverlening.29 Daarbij moeten we streven naar een nieuw evenwicht tussen solidariteit en individuele inspanning, want een nieuwe economie creëert nieuwe verliezers, in dit geval in de maakindustrie en agricultuur. Tijdens het World Economic Forum van 2004 werd deze kwestie als volgt geformuleerd: ‘The ongoing debate is over net payers and net receivers.’30 Is het dan verstandig eerst Rijnlands te worden en daarna te hervormen, of kunnen we vanaf waar we nu zijn hervormen (maar Sapir schaart ons al onder het Scandinavische model dat als voorbeeld geldt) en enkele Rijnlandse positieve punten in de hervormingen verdisconteren? Ik pleit voor pragmatisme en eclecticisme uit meer dan twee modellen in plaats van voor ideologie.

Wat dan wel?
Mochten we kunnen komen tot een vruchtbare synthese, wat Bolkenstein het Midatlantisch model31 noemt, zijn we er dan? Nee. Er resteren enkele karaktertrekken waar Nederland weliswaar geen patent op heeft, maar die wel mede hun stempel hebben gedrukt op de ‘volksaard’. Zowel bij keuze voor één van de modellen als bij een synthese van beide modellen hebben deze karaktertrekken geen plek. Zo is daar de anti-autoritaire grondslag. En dan bedoel ik letterlijk ‘grondslag’: het gezag van de natuur of God tartend heeft Nederland zichzelf aan de schoenveters uit het moeras getrokken. De manier waarop wij ons land op het water hebben teruggewonnen is een voorbeeld van eigenzinnigheid en hard werken. Wie zich in vroeger tijden te zeer misdroeg om Nederlands te kunnen zijn, werd aan het water teruggegeven door veroordeling tot dood door verdrinking; luiheid, een eigenschap die men bij het zware werk van de nieuwe schepping niet kon gebruiken, werd bestraft met dwangarbeid bij de grote bemalings- en droogleggingsprojecten.32 Geen van de modellen onderkent het belang van dit eigenzinnige, anti-autoritaire harde zwoegen, dat we ook stijfkoppigheid zouden kunnen noemen. In het Rijnlandse model past de stijfkoppigheid niet onder druk van het collectief en kan het harde zwoegen te lijden hebben onder het voortdurende overleg, in het Anglo-Saksische model wordt een anti-autoritaire houding niet gewaardeerd. Toch herkennen we deze houding nog steeds in anarchistische collectieven die zich inspannen om andere samenlevingsvormen te ontwikkelen en voor te stellen. Dat hebben wij gemeen met Scandinavië. Uit onderzoek naar actief burgerschap blijkt bijvoorbeeld een grotere verwantschap met Finland dan met België, Slovenië, Spanje en Groot Brittannië.33 Kristiania, de bekende vrijplaats in Kopenhagen, kent Nederlandse equivalenten in de NDSM-scheepswerf en de vele andere gemeenschappen die het samenleven heruitvinden. Ook de Nederlandse belangstelling voor het oprichten van ondernemersopleidingen naar model van het Deense KAOS-pilots past bij deze verwantschap.34

Indien u zich slecht herkent in deze specifieke voorbeelden, bedenk dan dat de behoefte aan erkenning van deze houding onder alle geledingen van de bevolking groot is gezien de belangstelling voor vrijplaatsachtige gespreksomgevingen waarin mensen in vrijheid van gedachten wisselen en (nieuwe) betekenissen geven aan wat er om hen heen gebeurt en aan wat hen bezighoudt.35 Dit sluit naadloos aan bij de traditie van decentraal zelfbestuur en de voorliefde voor vrijmoedig spreken. In het Anglo-Saksisch taalgebied noemt men iemand die vrijuit spreekt een Dutch uncle. Daarmee samenhangend noem ik het gedogen. ‘Het verenigen van het onverenigbare is in de Lage Landen verheven tot een kunst met vele verschijningsvormen. We zijn bourgondiërs én calvinisten, individualistisch én solidair, elitair én egalitair, paternalistisch én democratisch, Rijnlands én Angel-saksisch’, zo schrijft Metze.36 We hebben een ‘morele souplesse’ die niet uit onze levensstijl te branden is. Hoe anders is een verlicht despoot als Becker in staat zo succesvol de ja-cultuur te implementeren in Humanitas-Akropolis?37 Nogmaals: Nederland heeft er geen patent op en het geldt vast ook niet voor iedereen, maar voor de mensen op wie het wel van toepassing is, is ruimte voor deze anarchistische stijfkoppigheid doorslaggevend voor welbevinden en productiviteit.

Het economische aandeel van de creatieve klasse groeit. Volgens Florida kan deze klasse alleen tot volle wasdom komen op plekken waar de onderliggende sociaal-culturele matrix aantrekkelijk is voor de mensen die er al zijn.38 De creatieven, die behoefte hebben aan tolerantie om creatief te kunnen blijven, komen vanzelf naar die plekken waar ook zij met al hun eigenzinnigheid dus welkom zijn. Des te meer reden om anarchistische stijfkoppigheid te waarderen.

Noten
1. Met dank aan Julien Haffmans en Floris de Laat voor hun commentaar op eerdere versies.
2. P. Bakker, Sj. Evers, N. Hovens, H. Snelder en M. Weggeman (2005). Het Rijnlands model als inspiratiebron. Holland Management Review, nummer 103 (september-oktober) pp. 72-81 (p. 72).
3. H. van der Wee en E. Aerts (1997). De economische ontwikkeling van Europa, 950-1950. Acco Leuven / Amersfoort (dertiende druk).
4. S. Brittan (2003). The US and Europe: two, three or more economic models. Gulbenkian Foundation Conference, Lisbon 21/10/03.
5. J. Nelson and S. Zanek (2000). Partnership Alchemy. New Social Partnerships in Europe. The Copenhagen Centre (p. 34).
6. G. Esping-Andersen (1999). Social Foundations of postindustrial economies. Oxford University Press.
7. R. H. Cox (2001). The Social Construction of an Imperative. Why Welfare Reform Happened in Denmark and the Netherlands but Not in Germany. World Politics 53 (April 2001) pp. 463-498 (pp. 488-489); zie ook: M. Metze (1999). Let’s talk Dutch now. Harmonie in de polder: uitvinding of erfenis. Amsterdam: Uitgeverij De Arbeidspers (p. 98-100).
8. P. J. Katzenstein (2003). Small States and Small States Revisited. New Political Economy, Vol. 8, No. 1 pp. 9-30 (pp. 16,18).
9. A. Sapir (2005). Globalisation and the Reform of European Social Models. Bruegelpolicybrief, November 2005.
10. P. A. Hall and D. Soskice (2001). An introduction to Varieties of Capitalism. In P. A. Hall and D. Soskice (eds.) Varieties of Capitalism: The Institutional Foundations of Comparative Advantage. Oxford University Press pp. 1-68 (pp. 8-12, 14-15, 19).
11. J. Peet (2003). Economisch succes en overlegcultuur. Bedrijfsleven en overheid in Nederland in de 20ste eeuw, (pp. 8-11).
12. Peet (2003, p. 12).
13. Superieure Rijnlanders, Management Team, 9 mei 2005.
14. Th. Boekhoff, P. Iske en M. Weggeman (2003). Kenniseconomie vraagt actieve houding. De Volkskrant, 20 september 2003.
15. Bakker e.a. (2005, p. 81).
16. Zoals bijvoorbeeld besproken in: R. van den Nieuwenhof (2003). De Taal van Verandering. Integraal management van unieke, dynamische en complexe veranderingsprocessen. Delft: Eburon.
17. A. Phillips (1994). Democracy and Representation. Or, why it should matter who our representatives are? Frauen und Politik / Femmes et politiques. SVPW-Jahrbuch. Bern; Stuttgart; Wine: Haupt pp.63-79 (p. 70).
18. Phillips (1994, p. 71).
19. Cox (2001, p. 475).
20. N. Fraser (1990). Gender, citizenship and the public sphere: toward a feminist reconstruction of Habermas. Paper presented at the ‘Double Trouble’ Congress, Utrecht, May 1990 (p. 3).
21. M. Castells (2001). The Power of Identity. Massachusetts USA: Blackwell Publishers Ltd. (9de druk).
22. R. Lakoff (2000). The Language War. Berkely / Los Angeles: University of California Press.
23. Volwaardige deelname is gelieerd aan volwaardig burgerschap, dat op zijn beurt bepaald wordt door het kostwinnaarsmodel, militaire dienst en kiesrecht. De stadia van het verkrijgen van volwaardig burgerschap laten de machtsverhoudingen zien: eerst eigenaren, dan mannen, dan vrouwen, dan allochtonen en dan gehandicapten. De eerste groep doet het langste mee aan het overleg en heeft daardoor het voorrecht gehad de definities te bepalen; de daaropvolgende groepen hebben in latere fasen het recht op deelname (en dus inbreng) verworven.
24. In: E. Eskens (2003). Dit is Lyotard. Zijn belangrijkste geschriften. Kampen: Agora.
25. Bakker e.a. (2005, p. 78).
26. Fair Trade Jaarboek 2001, p. 99.
27. Hivos jaarverslag 2004, p. 27.
28. Uitgegeven bij Kapellen: Pelckmans (1993).
29. R. Dahrendorf (2004). Leve het Rijnlandmodel. De Volkskrant, 17 augustus 2004.
30. www.weforum.org.
31. F. Bolkenstein (1999). Pleidooi voor minder polder. NRC Handelsblad, 7 juni 1999.
32. in Metze (1999).
33. Basten (2002). Discourses of Activism.
34. www.kaospilots.nl.
35. Zie ook: Julien Haffmans (2005). Vrijplaatsen – hangplek voor vrije gedachten. Filosofie in Bedrijf, maart, p. 28-37.
37. H. Becker (2003). Levenskunst op leeftijd. Geluk bevorderende zorg in een vergrijzende wereld. Delft: Uitgeverij Eburon.
38. R. Florida (2002). The Rise of the Creative Class. Basic Books.

 

Basten (2006). Rijnland revisited. Holland Management Review, maart-april (62-66).