Independent scholar, cat addict, tattoo lover

Vroeger was het volkomen normaal dat wetenschappelijke genootschappen – denk aan de Royal Society – buiten de context van de universiteit werden opgericht, gewoon door burgers met een grote dosis aan nieuwsgierigheid en het ondernemerschap om die te bevredigen. En voor wie die genootschappen niet toegankelijk waren – met name vrouwen – waren er boeken en salons. Daar is met de opkomst van de massa-universiteit uit de jaren ’60 verandering ingekomen: voor onderzoek en kennis kijken veel mensen automatisch naar de universiteit. Achter het imago van betrouwbaarheid gaat echter een wereld schuil waarin niets menselijks vreemd is, zo blijkt ook uit mijn wetenschapsetnografie. Voor besluitvorming in onze democratie biedt de universiteit een te smalle basis, zeker als je beseft dat daar slechts een vijfde van de gepromoveerde onderzoekers werkt. Met mijn onderzoek wil ik bijdragen aan het eerherstel van de onderzoekende samenleving. Dit staat in relatie tot burgerschap en bestuur en leren onderzoeken.

Vragen die hieraan ten grondslag liggen zijn welke waarden verschillende soorten kennis hebben, waarom dat zo is en wat de meerwaarde is van kennis die ontstaat uit de samenwerking tussen mensen die uit verschillende typen kennisbronnen putten. Een eerste aanzet voor een antwoord heb ik gegeven in mijn paper Transdisciplinary validation of knowledge tijdens het congres Sharing knowledge?1 Hierin besprak ik twee cases waarin geen gedeeld en betekenisvol verhaal tot stand kwam en twee cases waarin dat wel het geval was. Het verschil was de mate waarin het gesprek gestructureerd was; naarmate er een meer informele setting was, voelden mensen zich meer op hun gemak om tussen formele en persoonlijke rollen te switchen. Later heb ik in opdracht van Stichting Kennisontwikkeling Kennisoverdracht Bodem onderzoek gedaan naar een succesvolle samenwerking rond bodemsanering van Polder Stededijk en een niet succesvolle samenwerking rond de herinrichting van Het Bolwerk in Gouda. Ook hier was sfeer bepalend om voorbij de eigen formele rol te komen en in de wil om van elkaar te leren. Wat ook een verschil maakte, was dat de Polder Stededijk groep alleen uit professionals en ambtenaren bestond, en de Bolwerk Gouda groep uit ambtenaren en bewoners. Het blijkt, zo kwam ook naar voren in ander onderzoek, nog steeds lastig om burgers een volwaardige positie in te laten nemen. Ambtenaren, professionals en onderzoekers vinden het moeilijk om wat burgers zeggen op waarde te schatten (vooral ook omdat de term ‘burger’ gereserveerd lijkt voor iedereen die niet officeel als houder van beleidskennis, professionele know how en academische expertise aan tafel zit; een ernstige onderschatting, denk ik). Narrativiteit en samen tot een gedeeld verhaal kunnen komen, lijkt de sleutel voor kennis die handelingsperspectieven biedt bij complexe vraagstukken.

Een en ander heb ik meer theoretisch gefundeerd in mijn hoofdstuk Researching Publics en verwerkt in mijn essays Van actief burgerschap naar de onderzoekende samenleving en Publieken onderzoeken in 2021.

--

1. 1 en 2 november 2004, Amsterdam, pp. 82-87.