Independent scholar, cat addict, tattoo lover

Er zijn altijd wel van die bezigheden waar je even geen zin in hebt. Van die klussen tussendoor, terwijl je net lekker met iets anders bezig bent. Of van die verplichtingen waar je sowieso onderuit probeert te komen omdat je er nu eenmaal een hekel aan hebt. Mijn moeder zei dan altijd: ‘Dan máák je maar zin!’ Ik vond dat een vreemde suggestie: zin maken. Hoe kon ik mezelf dwingen iets vrijwillig en met plezier te doen? Me forceren iets nutteloos belangrijk te vinden? Iets vergelijkbaars is aan de hand met het begrippenpaar ‘leren samenwerken’. Zodra dingen niet vanzelf gaan, zodra ze een beetje hulp nodig, nou, dan léér je het maar! Hoe zit dat met samenwerken? Kun je dat ook leren?

In dit schrijven ga ik het begrippenpaar ‘leren samenwerken’ onderzoeken op haar interne wederkerigheid. Daarbij neem ik als uitgangspunt – en stelling tegen het positivisme – dat wat je onder ‘leren’ verstaat, afhangt van hoe je tegen de wereld aankijkt. Ik ga twee paradigmatische mogelijkheden die men gewoonlijk tegenover elkaar zet, het positivisme en het constructivisme, nader onderzoeken teneinde letterlijk in extremis de onmogelijkheid van ‘leren samenwerken’ binnen deze paradigma’s scherp te stellen. De combinatie van ‘leren’ met ‘samenwerken’ zorgt voor een onhoudbare interne spanning: net zoals ‘dan máák je maar zin’ een onmogelijke opdracht is, zo is ‘dan léér je maar samen te werken’ dat volgens mij namelijk ook. Ook in het sociaal-constructivisme, de hoopgevende exponent van het constructivisme, blijft die spanning bestaan. Ik licht dat toe met een omschrijving van ‘samenwerken’ en ‘leren’. Vervolgens besteed ik aandacht aan de rol van degene die zich trainer, coach of docent noemt en tot slot stel ik een eigen invulling van het koppel ‘leren samenwerken’.

Paradigma’s over samenwerken en leren
Samenwerken is eenvoudig te splitsen in samen en werken. ‘Samen’ veronderstelt ‘minstens twee’, dus dat er sprake is van meer dan één entiteit, bijvoorbeeld meer dan één persoonlijke dimensie, meer dan één individu, team, organisatie, samenleving, continent…. ‘Werken’ is letterlijk een werkwoord, maar verwijst niet naar een specifieke activiteit. Bouwen verwijst naar het eindresultaat, fietsen naar het instrument, slapen naar de toestand waarin je verkeert. Maar ‘werken’? We vertalen het gemakkelijk naar professionele bezigheden, maar er is nog een ander aspect van werken, namelijk ‘werking hebben’. En daar komt het ‘samen’ weer om de hoek kijken. Om werking te kúnnen hebben, is er immers altijd behoefte aan een ‘minstens twee’ situatie: iets waar werking van uitgaat en iets dat werking ondervindt. Samenwerken kan dan worden opgevat als ‘werking hebben op elkaar’.
Leren heeft ook met werking te maken. Een gangbare definitie is het teweegbrengen van een blijvende verandering. Werking en leren veronderstellen allebei een uitwisselingsrelatie. De nadere invulling van leren varieert per paradigma. Het behaviorisme – als leertheoretische ‘handlanger’ van het positivisme – hecht grote waarde aan de buitenkant; stimuli uit de omgeving zorgen ervoor dat er aan de binnenkant iets gebeurt. Die binnenkant is een black box die we niet rechtstreeks kunnen waarnemen. Volgens causale regels kunnen we wel voorspellen wat de respons op een stimulus zal zijn. Elke stimulus veroorzaakt namelijk altijd dezelfde respons en dat maakt de wereld voorspelbaar. Het positivisme is daarmee een denkraam waarin een objectief te kennen wereld klaar ligt om ontdekt te worden. De werking op de lerende komt van buitenaf. ‘Samenwerken’ is in deze visie ook een ideaal van buitenaf. De lerende kan wel een representatie van samenwerken tot zich nemen en gaan handelen naar aanleiding van die kennisneming. Leren samenwerken is het afstemmen van lerenden tot een samenwerkend verband dat voldoet aan universele criteria van ‘de samenwerking’. Decennia na het behaviorisme wordt vanuit de biologie een ander paradigma geïntroduceerd: het constructivisme. In dit denkraam creëren mensen zelf actief hun wereld en hun kennis over die wereld. De werking komt van binnenuit (autopoiese). De mens is ontvankelijk voor externe prikkels, maar bepaalt zelf de reacties op die prikkels. Exit voorspelbaarheid. In een latere verfijning is ‘sociaal-’ aan ‘constructivisme’ toegevoegd, om aan te geven dat mensen kennis creëren door samen betekenis te geven aan hun bestaan en hun onderlinge relaties. Eindelijk wordt kenniscreatie tussen mensen benoemd. Samenwerking is daarmee de uitgangssituatie geworden, niet het einddoel. Maar laat ik niet op de zaken vooruitlopen en eerst ‘leren samenwerken’ vanuit de paradigma’s nader bestuderen.

Collectieven en individuen
‘Samenwerken’ als ‘minstens twee’ verwijst naar een collectief dat werkt. De toevoeging ‘leren’ suggereert dat de hoedanigheid van het werkend collectief er nog niet is, maar houdt tevens de belofte in dat die wel bereikt kan worden en dat dit slechts een kwestie is van tijd. Het ontbreken in het hier en nu is slechts een tijdelijk gemis. En daar, precies in dat ‘tijdelijk gemis’, dáár ontstaat volgens mij de verwarring. ‘Leren’ vanuit een positivistische invalshoek is een individuele aangelegenheid. Individu betekent: ondeelbaar. De kleinste eenheid is in dit paradigma de individuele mens en in die hoedanigheid is iedereen in beginsel buitenstaander voor de ander: er is sprake van een ‘één-heid’, de ander bevindt zich daarbuiten. ‘Leren samenwerken’ is dan een contradictio in terminis. Er bestaan immers slechts buitenstaanders of ‘één-heden’ en om tot samenwerking te komen is het opheffen van individualiteit (‘minstens twee’) nodig. Volgens dit paradigma kan dat juist niet. Het paradigma zou zichzelf moeten opheffen om collectief leren of leren een collectief te zijn te tolereren. Geen tijdelijk maar een eeuwig gemis: de belofte van samenwerking zal nooit ingelost worden.
Het constructivisme heeft een al even onhoudbare claim. Als mensen alleen op hun interne kompas varen, zijn zij volgens dit paradigma even individueel (ondeelbaar, eenheid) als in het positivisme. Om die reden heeft men het prefix ‘sociaal’ toegevoegd. Het sociaal-constructivisme ontkent juist de mogelijkheid van leren als zuiver individuele actie: leren vindt altijd plaats in een sociale context, dus in relatie met en tot anderen. Je kunt dus niet ‘leren’ ‘samenwerken’, want leren IS samenwerken. De mogelijkheid van ‘nog niet (en dus: te leren) samenwerken’ bestaat niet in een permanent leren-in-samenwerking.
We zitten nu dus in een situatie waarin zowel het positivisme als het constructivisme stellen dat de collectieve toestand onmogelijk is – maar waarom dan toch de belofte die in ‘leren’ schuilt? – en waarin het sociaal-constructivisme de mogelijkheid van het tijdelijk ontbreken van die collectiviteit ontkent – maar waarom dan met het toevoegen van ‘leren’ het eigen uitgangspunt ondermijnen? Het positivisme erkent alleen de samenwerking als representatie van een extern afstemmingsideaal, het constructivisme ontkent in het geheel de mogelijkheid van samenwerken en het sociaal-constructivisme weigert samenwerken en leren te ontkoppelen. Wat betekenen deze paradigmatische stellingnames voor de gangbare positie van degene die zich trainer, coach of docent noemt? In hoeverre kan deze de belofte van ‘leren samenwerken’ waarmaken?

Trainers, coaches en docenten
Indien ‘leren samenwerken’ een contradictio in terminis dan wel een pleonasme is, wat doen mensen die zich trainer, coach of docent (t/c/d) noemen dan in een cursus ‘leren samenwerken’ (gesprekstechnieken, vergadertechnieken, verkooptechnieken …)? En wat doen de deelnemers daar?
In onderwijssituaties is samenwerken vaak één van de leerdoelen. Hoe wordt dit doel nagestreefd in een positivistisch programma? De t/c/d heeft als doel mensen te beïnvloeden tot een bepaalde blijvende verandering. Doel en didactiek liggen in handen van t/c/d, die ook evalueert of het doel bereikt is. Waar in deze situatie is de samenwerking? Blijkbaar vindt die buiten de t/c/d plaats, want volgens het positivisme komt alle werking van buiten de persoon. Maar hoe zit het met de deelnemers? Vanuit datzelfde paradigma zijn ook zij individuen en vindt de samenwerking ook buiten hen plaats. In extremo is er dus sprake van een samenwerking waar niemand aan meedoet. De t/c/d stelt als doel voor anderen vast dat zij zich niet meer als individu gedragen, terwijl t/c/d zelf geen moment de individualiteit verliest. Maar binnen dit paradigma kan geen van de deelnemers de eigen individualiteit opheffen. Een vreemde situatie, vooral omdat binnen één en hetzelfde paradigma elkaar uitsluitende voorstellingen van zaken worden gegeven: de belofte en de onmogelijkheid van het samenwerken. Het is dan ook niet voor niets dat men dit paradigma als achterhaald beschouwt.
Een vergelijkbaar oordeel treft het constructivisme: ook hier is – zij het om precies de omgekeerde redenen – sprake van een samenwerking waar niemand aan mee doet.
Het sociaal-constructivisme biedt nieuwe perspectieven. Desondanks doen zich ook hier paradoxale situaties voor. De t/d/c wordt nog steeds als zodanig herkend, maar maakt nu deel uit van de bestaande samenwerking. Wat valt er dan nog te leren? Het leerdoel is al bereikt voordat er enige didactiek aan te pas is gekomen! Sterker nog, het formuleren van het leerdoel is in strijd met het basisprincipe van dit paradigma. Hoe weet t/c/d hoe de toekomstige samenwerkingen van de deelnemers eruit zien zonder de deelnemers te raadplegen? Hoe kan t/c/d überhaupt in zijn / haar uppie de toekomst voorspellen als die tussen mensen in ontstaat? De t/d/c kan in dit paradigma niet de rol van t/c/d vervullen, want de werking ontstaat tussen alle deelnemers. De rol van t/d/c is dus volgens dit paradigma onmogelijk of alleen als deelnemer te vervullen, nog afgezien van het feit dat het leerdoel nergens op slaat.

Naar nieuwe contexten en dito rollen
Als we het positivisme en het constructivisme consequent door-onderzoeken, dan blijkt ‘leren samenwerken’ grote onzin. Gelukkig hoeven we ons niet tot deze twee paradigma’s te beperken. Mijn voorzichtige vermoeden is dat samenwerken iets te maken heeft met het gezamenlijk construeren van een gedeeld referentiekader (taal, context, geschiedenis), een kader dat richting geeft aan handelen (activiteit en onderneming) en aan betekenisgeving (interpretatie en evaluatie). Een sociaal-constructivistisch uitgangspunt, dus.
Mijn voorstel is sociaal-constructivistische uitgangspunten te vertalen naar nieuwe contexten en nieuwe rollen. Geen nieuwe ideeën in oude vormen, maar nieuwe vormen voor nieuwe én bestaande ideeën maken. Ik vertaal ‘samenwerken’ in ‘samen werking hebben’. Zodra er een ‘samen’ is, is er een ‘werking’. Deze kan meer of minder wederzijds zijn, afhankelijk van de mate van ‘samen’. De werking kan gewenst of ongewenst zijn, afhankelijk van de intenties van degenen die ‘samen’ uitmaken. Tot slot kan de werking goed of slecht zijn, afhankelijk van de ethische oriëntaties van datzelfde ‘samen’ (ik ga ervan uit dat degene die het ‘samen’ beschouwt door die observatie zelf ook deel uitmaakt van ‘samen’). Met andere woorden: de context – de tijd-ruimteconfiguratie – én degenen die de context scheppen én door de context geschapen worden (ook hier is sprake van een ‘samen’ of wisselwerking) bepalen wat er geleerd wordt. En leren is in deze betekenis ‘zich ontwikkelen’. Het ‘samen’ ontstaat zich al ontwikkelend in de uitwisseling, het gesprek. Wat er te leren valt, is hoe er een ‘samen werking hebben’ ontstaat dat de deelnemers als optimaal beschouwen. De afstemming over ‘optimaal’ wordt gereguleerd door intersubjectiviteit. Iedereen draagt bij aan het gesprek (zwijgen is ook een bijdrage) en daarmee is iedereen verantwoordelijk voor het gesprek.
Dat vraagt een onderzoekende houding van de deelnemers, een voortdurend opschorten van de wens om tot eindconclusies te komen en een daarmee samenhangend aanhoudend besef van onzekerheid over alles wat wel en niet in het hier en nu, in dit ‘samen’ plaatsvindt. In plaats van een t/d/c zou ik eerder spreken van een leidende rol, waarin iemand model staat voor nieuwsgierigheid, voor dit ‘hier en nu samen onderzoeken in deze specifieke context en de gevulde ruimte die daardoor ontstaat’. Die rol kan rouleren. Zo kan ‘samen werking hebben’ de betekenis krijgen van elkaar en zichzelf ontwikkelen. Het gemak waarmee golflengten op elkaar afgestemd zijn en blijven... mijn Mexicaanse vrienden noemen dat ‘onda’.

 

Basten (2005). Onda of het samen werking hebben. Een paradigmaonderzoek naar de taal van 'leren samenwerken'. Opleiding en Ontwikkeling. Thema: Leren Samenwerken, 3 (6-8).