Independent scholar, cat addict, tattoo lover

De centrale methode in mijn onderzoek naar burgerschap en bestuur en in mijn wetenschapsetnografie komt uit de narratieve sociologie. Om een idee te geven van de mogelijkheden daarvan heb ik een canon met aanbevolen literatuur samengesteld: dertig titels die volgens mij een aardig idee geven van de reikwijdte van narratief onderzoek. Mijn paper A multiple analyses approach for narrative sociology of everyday life uit 2014 vat mijn bevindingen weer van de bijna twintig jaar dat ik me met narratieve sociologie bezighoud. Narratief onderzoek is arbeidsintensief. Daarom ontwikkel ik samen met Sjoerd-Jeroen Moenandar een interviewmethode waarmee je gerichter verhalen kunt verzamelen en analyseren. Ons onderzoek Ervaringen met hedendaags racisme is daar een pilot in; hierover zullen we in april 2015 presenteren in Gent tijdens het congres Modelling Narrative Across Borders van het European Narratology Network. En in mijn paper Swarm research in service of researching publics uit 2014 laat ik zien hoe je met real time narratief onderzoek snel kennis over de samenleving uit de samenleving zelf kunt halen.

In narratieve sociologie komen letteren en sociale wetenschappen samen: je leest de samenleving als een verhaal. Daarbij kun je verschillende schalen kiezen voor ‘de samenleving’: de wijk, de organisatie, de gemeenschap, het publiek. Bij de eerste drie bepaal je vooraf wat de grens van je te onderzoeken samenleving is, bijvoorbeeld de Rotterdamse wijk Feijenoord of de onderwijsorganisatie Nijmegen Business School (destijds de casus voor mijn promotieonderzoek). Bij het publiek bepaal je welke gebeurtenis of welk thema belangrijk is, en verschijnt je te onderzoeken samenleving als de groep mensen die zich daarbij betrokken voelt. Een voorbeeld hiervan is het vraagpatronenonderzoek dat ik samen met het lectoraat Lokale dienstverlening vanuit klantperspectief (Hogeschool van Arnhem en Nijmegen) ontwikkeld heb. Samen met Martha van Biene schreef ik daar het artikel Voorbij de standaardvraag. Werken met vraagpatronen over.1 Het is ook mogelijk om narratieve patronen te vinden in heel heterogene, diffuse groepen, zoals ik gedaan heb voor het onderzoek Gekrulde ruimte. Hiervoor heb ik dagboekfragmenten van mensen die professioneel met ruimtelijke vormgeving te maken hebben (als beleidsambtenaar, kunstenaar, architect, et cetera) geanalyseerd. Het doel was een advies over hoe gesprekken over ruimtelijke beleving te voeren met mensen die niet wegens hun professie met ruimtelijke vormgeving te maken hebben. Een ander voorbeeld van de toepassing van narratieve sociologie is onderzoek naar patronen in beleving, wensen en mogelijkheden in wijken. Dit heb ik onder andere gedaan in Haagpoort en Tuinzigt in Breda (project Open deuren), en in de Rotterdamse wijk Feijenoord. Over dat laatste project heb ik het paper Microstructures as Spaces for Participatory Innovation geschreven

Als je een methode gebruikt in je onderzoek, dan is het goed om die methode ook steeds te onderzoeken. Wat is dat narratieve, zodat je de samenleving als verhaal kunt lezen? Wat is de relatie tussen verhaal en sociale werkelijkheid? Hoe analyseer je verhalen zo, dat je een uitspraak over een gedeelde werkelijkheid kunt doen? Hoe werkt taal, die belangrijke grondstof van verhalen, eigenlijk?

In het redactionele artikel Narrative on the Move van Narrative Works,2 identificeren Anneke Sools en ik drie richtingen waarin narratief onderzoek zich begeeft. De eerste richting is die naar een discussie over theoretische grondslagen, hetzij binnen het narratieve zelf, hetzij in relatie tot non-narratieve disciplines. In mijn eigen bijdrage aan de bundel, Going narrative, but where will it take us,3 leg ik bijvoorbeeld een relatie tussen ons biologisch in-de-wereld-zijn en het evolutionaire voordeel dat narrativiteit biedt als taal om over onze relaties in en met de wereld te communiceren en daarmee onze eigen positie in te nemen. De tweede richting die Anneke en ik in ons artikel zien, is die in tijd. Narrativiteit wordt veelal gezien als het terugblikkend (re)construeren van een verhaal, maar daarnaast is een trend in opkomst waarin het verhaal geprojecteerd wordt op de toekomst, bijvoorbeeld met wat-als? verhalen. Het creatieve vermogen van verhalen maakt de relatie tussen het hier en nu en de nog in het verschiet liggende toekomst spannend: is die toekomst er al als we er nu over fantaseren? De derde beweging is die naar een discussie over de narratieve kwaliteit van natuurlijke verhalen. Wat is, met andere woorden, het empirische materiaal waarop we onze narratieve analyses loslaten? En als narrativiteit zo menselijk is, is er dan een verschil tussen de analytische kwaliteiten van de onderzoeker en die van de verteller? Al met al nemen we een groeispurt in narratief onderzoek waar die we interpreteren als een beweging naar wasdom van het vakgebied.

In Dwalen door verhalen, een hoofdstuk dat ik schreef in het boek Waarderend organiseren. Appreciative Inquiry: co-creatie van duurzame verandering,4 ga ik in op de dwang die van verhalen uit kan gaan. We zijn gewend aan mooie, ronde verhalen met een samenhangende lijn in de gebeurtenissen, maar hoe groter het aantal mensen met wie we te maken hebben, des te meer verhaallijnen zich aandienen en des te complexer de verzameling verhalen wordt. In organisaties bestaat een voortdurend streven daar één heldere lijn in aan te brengen. De leergeschiedenis en appreciative inquiry zijn allebei methoden om dat te doen. Een leergeschiedenis kijkt naar het verleden, appreciative inquiry kijkt naar de toekomst. Een combinatie van beide instrumenten lijkt een ideale manier om tot een mooi, rond verhaal van een organisatie te komen, maar dat ene grote verhaal kan vele kleinere verhalen uitsluiten en daardoor dwingend zijn en allerlei ongewenst gedrag oproepen. In dit hoofdstuk laat ik zien hoe je met aandacht voor taal narratieve patronen kunt identificeren die de sociale meerlagigheid en complexiteit van een organisatie weerspiegelen. Zo worden paradoxen, dubbele boodschappen en gedeelde betekenissen in de sociale werkelijkheid van de organisatie zichtbaar en wellicht ook bespreekbaar. In mijn artikelen Narrating around5, The Role of Metaphors in (Re)Producing Organizational Culture6, Metaphor in Action in an Academic Battlefield7 en Through the looking glass. A narrative of non change8 laat ik dit zien aan de hand van de concrete casus van een academische opleiding Bedrijfswetenschappen.

Eerder al schreef ik samen met Peter Linde het hoofdstuk Taal, leergeschiedenis en reflectiescenario voor het boek Inleiding in Chaosdenken: Theorie en Praktijk.9 Zou het mogelijk zijn om – daar waar leergeschiedenissen helpen om de ontstaanswijze van het collectieve mentale model bloot te leggen – reflectiescenario’s te gebruiken voor het gezamenlijk ontwerpen van de collectieve mentale modellen van de toekomst? Kunnen we als uitgangspunt veronderstellen dat hoe organisaties met zwakke signalen omgaan voor elke organisatie uniek is? Immers, de zwakke signalen kunnen voor veel organisaties hetzelfde zijn, maar het is de plaats- en tijdgebonden constellatie van organisaties en haar medewerkers die bepalen wat de interpretaties, beoordelingen en reacties zijn. Kortom: biedt chaostheorie een aanknopingspunt? We dachten van wel. We lieten bovendien zien dat taal een indicatie kan zijn voor wat die interpretaties, beoordelingen en reacties zijn, en dat talig gedrag inzicht kan bieden in andersoortige gedragingen.

--

1. In augustus 2009 verschenen in Maatwerk. Vakblad voor Maatschappelijk Werk, nummer 4, pp. 26-28.

2. In 2012 verschenen, Vol 2 Issue 1, pp. 1-9.

3. In 2012 verschenen in Narrative Works, Vol 2 Issue 1, pp. 48-66.

4. Geredigeerd door Masselink, Van den Nieuwenhof, De Jong en Van Iren, in 2008 verschenen bij Gelling Publishing, Nieuwerkerk aan den IJssel.

5. In 2011 verschenen in Journal of Management Development, 30, 3, pp. 260-269.

6. In 2001 verschenen in Metaphor in Human Resource Development, 3, 3, pp. 344-354.

7. In 2011 verschenen in Systems Research and Behavioral Science, Special Issue Article, 28, pp. 150-159.

8. In 2012 verschenen in Educational Action Research, Vol 20 No. 1, pp. 95-111.

9. Geredigeerd door Van Eijnatten, Poorthuis en Peters, verschenen in 2002 bij Van Gorcum, Assen.