Independent scholar, cat addict, tattoo lover

artikel/paper

Hebt u wel eens van Cecilia Payne-Gaposchkin gehoord? Ik niet, totdat ik op de Facebook site ‘I fucking love science’ een post met haar foto tegenkwam en de tekst ‘I discovered what the sun is made of. Too bad I didn’t have a penis, then you’d know that.’ Ik schrijf dit niet zo op om u te choqueren, maar doe graag aan correcte bronvermelding en wil een aantal termen introduceren die volgens mij met invloed te maken hebben.

Download het artikel.

We construct in this editorial a dynamic, multi-voiced narrative of the field of narrative inquiry based on the contributions by the authors. Diversity notwithstanding, we also presuppose a common theme to connect the contributions: Narrative on the move. This theme directs our attention to the question if narrative inquiry is moving and if so, in what direction? We notice three types of movements, in theory, in time, and regarding quality criteria of ‘real-life’ narratives.

There is a growing interest in narrative for policy making in community development. The implicit assumption in most projects is that just making stories available will increase recognition in readers and by some automatic process it will enhance understanding and therewith a community feeling. In this essay I want to explore this assumption, as it makes the value of narrative self-evident, but may leave its full potential for community development untouched. To find answers, I look for a starting point in what we all share: our biology.

Since decades, outsiders criticize The Ivory Tower for its seclusion. Today, insiders proclaim a crisis within the tower itself. Staff publicly criticize conditions for research and teaching. Here I reflect as on my experiences as an action researcher within academia and address the question of espoused theories and theories-in-use in academic practice. My starting point is the case of an academic business school that was renowned for successful educational innovations. I wondered its success could be explained by the organizational theories of its staff.

In this article I address two interrelated questions. The first question is, what role do external PhD. candidates play in the emergence of paradigms? The second question is, if anything, what do external PhD. candidates actually contribute to the process of emerging paradigms? In order to answer these questions, I conducted an exploratory study into the vicissitudes of external PhD. candidates in the Netherlands. As my findings suggest, they display a fully-fledged academic habitus.

Microstructures are networks that aim to solve persistent social problems in rural or urban areas. These are transdisciplinary networks of inhabitants, entrepreneurs, professionals, and academics who bind their forces to realize an ambition they share in the area concerned. They require small investments in governance which we expect to result in social entrepreneurship and self organisation.

How to explain an academic community that theorises about knowledge intensive organisations whilst creating practical knowledge about living in this community that negates these theories? I constructed a learning history of an academic business school and found some answers. Confronting the collective narrative of the organisation about itself with analyses and recommendations written for others, I found little correspondence between the two. To find out why, I deconstructed the organisational narrative and searched for dominant metaphors that guided everyday practice.

The learning history is designed to describe the coming about of best practices, with their reproduction in mind. In this paper, I discuss the implications of this instrument and present a modified version. I use a so-called discursive learning history to zoom in on the interaction between a convergent, official, organisational narrative on the one hand, and people acting according to their own stories on the other. Narrative structures help to create an inner logic that help people to make sense of their organisation.

In Intermediair van 25 februari 2011 staat een artikel over evidence-based consulting met als veelbetekenende kop: ‘God zegen de greep’. Deze ‘advisering op basis van aantoonbare resultaten uit het verleden’ is in opkomst, maar nog geen gemeengoed. Desondanks zijn er behoorlijk wat buitenpromovendi die onderzoek doen naar de praktijk van organiseren en adviseren. Wat zijn hun ervaringen met de wetenschappelijke wereld?     

Dit artikel gaat in op de mogelijkheden van narratief onderzoek in het opsporen van vraagpatronen van gezinnen, kinderen, wijkbewoners met betrekking tot de kwaliteit van het opgroeiklimaat in hun wijk. Een vraagpatroon is een set van samenhangende vragen en behoeften die burgers uiten naar aanleiding van een levensgebeurtenis, een concrete ervaring of binnen de actuele context waar zij in leven. Voor deze vorm van onderzoek is een vraaganalyse-instrument ontwikkeld om deze vraagpatronen te identificeren. Dit instrument heeft een dubbel perspectief.

In city branding, it is common to start with the question: who do we want to have in our city? In my paper I will present some of the narrative strategies Amsterdam uses to both include and exclude and to legitimise these actions. The question I will address is: what are the narrative mechanisms in the Amsterdam city branding and its slogan I amsterdam?

Steeds meer academici gaan buiten de universiteit aan de slag in het bedrijfsleven, bij de overheid of in de non-profit sector. Hoe kunnen niet-universitaire organisaties de academische vaardigheden van deze werknemers ten volle benutten? In deze bijdrage sta ik stil bij wat ik de onderzoeksintensieve werkomgeving noem. Veel organisaties besteden leren en onderzoek uit, terwijl werknemers in de context van eigen onderzoek heel veel kunnen leren wat ten goede kan komen aan hun organisatie. Hoe kunnen HRD-managers het onderzoekend vermogen in hun organisatie optimaal benutten?

Net als de ‘kenniseconomie’ is het begrip ‘kennissamenleving’ eerder een wenkend perspectief dan een algemene realiteit. We hebben er ideeën bij, de overheid doet er iets aan, maar het is nog geen structuur. De meeste structuurveranderingen beginnen bij mensen. Wat kunnen individuele adviseurs en interim-managers daar, met bijvoorbeeld een promotieonderzoek, aan bijdragen? Stimuleren bureaus medewerkers om te promoveren?

Met de creatieve industrie als sleutelgebied van het Innovatieplatform en als programma van het ministerie van Economische Zaken wil de overheid de economische potentie van cultuur en creativiteit versterken door het creatieve vermogen van het Nederlandse bedrijfsleven een impuls te geven. Naast imago is economie dus van belang. De overheid meet zichzelf daarbij een voortrekkersrol aan. De veronderstelling is dat door de globalisering alle steden, regio’s en staten op elkaar gaan lijken en dat deze zich dus moeten zien te onderscheiden van elkaar.

“Schoon, heel en veilig” wordt als merklap over de Nederlandse openbare ruimte gedrapeerd. Wat betekent dit voor de toegankelijkheid van die ruimte? Stevenen wij af op een dictatoriale monocultuur op straat? Of hervinden we sociale lenigheid?

Lees verder

Basten (2008). Zero versus Maximum Tolerance. Agora. Tijdschrift voor sociaal-ruimtelijke vraagstukken, jrg 24 nr 4 (34-37).

 

Waarom hij hier is, vraag ik mijn medecursist. Hij grinnekt. Vorig jaar was hij bij een keynote van Dave Snowden. Dave kwam binnen, bekeek het programma, gebruikte het vervolgens als indeling van zijn toespraak: “Spiral Dynamics ... and why it’s useless. NLP … and why it’s rubbish.” Ik moet lachen. “So I thought”, vervolgt hij, “now that’s a guy I want to learn more from.” Welkom op de accreditatiecursus van Cognitive Edge.

Hbo-instellingen lopen het risico onhaalbare doelen te stellen binnen promotietrajecten, als ze geen rekening houden met de valkuilen en de verschillen in organisatorische context. Effectief promotiebeleid op het hbo moet speciale aandacht richten op: projectmanagement, duidelijke en formele condities, sociale en vakinhoudelijke netwerken, methodologisch onderwijs en training en coaching van zowel de promovendi als hun begeleiders.

Download hier het artikel

One of the major challenges in negotiating cross-culturally is to establish open and constructive discourse and develop relationships based on mutual trust and commitment that value but transcend social and cultural differences. To optimize this process, the negotiating parties in the merger must collaborate and establish an open relationship in which mutual understanding, trust, and learning prevail.

What happens if we look at the naked organization, without its paraphernalia such as logos, buildings and technologies? If we look at organizations as if they were 'just a bunch of people'? Concepts such as aesthetic tribes (Maffesoli), bubbles and globes (Sloterdijk), the scapegoat (Girard) and the homo sacer (Agamben), antisemitism (Bauman) and the silent majorities (Baudrillard) serve as inspiration for interpretive frameworks to look under the organizational garments.

Eind 2005 hield de International Leadership Association (ILA) in Amsterdam voor het eerst  een conferentie in Europa. Julien Haffmans en Floor Basten gingen er naartoe en onderzochten de veronderstellingen over leiderschap die ten grondslag liggen aan opleidingen tot leiderschap. Want, zo rijk als het ILA in het congresprogramma was aan adjectieven voor leiderschap, zo spaarzaam was het in definities daarvan. Die spaarzaamheid leidde tot twee vragen: 1. wat zijn de impliciete, onbesproken definities en 2. welke modellen zijn in opkomst?

Pagina's