Independent scholar, cat addict, tattoo lover

Afgelopen juli was ik op een conferentie voor promovendi in humanities en social sciences te Aberdeen. Ik had de organisatie namelijk geschreven dat ze met “Impact or impasse, postgraduate research beyond academia” volgens mij een interessant onderwerp te pakken hadden en dat ik graag de presentaties van de keynote speakers na afloop wilde ontvangen. Prompt kreeg ik de uitnodiging om zelf aan te schuiven in een paneldiscussie en om de closing address te geven tijdens de borrel.

Microstructures are networks that aim to solve persistent social problems in rural or urban areas. These are transdisciplinary networks of inhabitants, entrepreneurs, professionals, and academics who bind their forces to realize an ambition they share in the area concerned. They require small investments in governance which we expect to result in social entrepreneurship and self organisation.

“When April with its sweet showers has pierced the drought of March to the root, and bathed every vein of earth with that liquid by whose power the flowers are engendered; when the zephyr, too, with its dulcet breath, has breathed life into the tender new shoots in every corpse and on every heath, and the young sun has run half his course in the sign of the Ram, and the little birds that sleep all night with their eyes open give song (so Nature prompts them in their hearts), then, as the poet Geoffrey Chaucer observed many years ago, folk long to go on pilgrimages.

How to explain an academic community that theorises about knowledge intensive organisations whilst creating practical knowledge about living in this community that negates these theories? I constructed a learning history of an academic business school and found some answers. Confronting the collective narrative of the organisation about itself with analyses and recommendations written for others, I found little correspondence between the two. To find out why, I deconstructed the organisational narrative and searched for dominant metaphors that guided everyday practice.

The learning history is designed to describe the coming about of best practices, with their reproduction in mind. In this paper, I discuss the implications of this instrument and present a modified version. I use a so-called discursive learning history to zoom in on the interaction between a convergent, official, organisational narrative on the one hand, and people acting according to their own stories on the other. Narrative structures help to create an inner logic that help people to make sense of their organisation.

Och waas ik maar beej mooder thoès gebleve… In mijn Limburgse oren klinkt de versie van Huub Stapel vele malen beter dan die van Johnny Hoes, die de Venlose tekst van Frans Boermans vertaalde naar een Nederlandse kaskraker. Het is nog maar zo kort geleden, de reden voor de vertraging van deze nieuwsbrief: carnaval.

In Intermediair van 25 februari 2011 staat een artikel over evidence-based consulting met als veelbetekenende kop: ‘God zegen de greep’. Deze ‘advisering op basis van aantoonbare resultaten uit het verleden’ is in opkomst, maar nog geen gemeengoed. Desondanks zijn er behoorlijk wat buitenpromovendi die onderzoek doen naar de praktijk van organiseren en adviseren. Wat zijn hun ervaringen met de wetenschappelijke wereld?     

Laatst vertelde iemand me dat ze op wel honderd nieuwsbrieven was geabonneerd. Honderd? Dat leek me een beetje veel. Ze keek me ook wat gepijnigd aan; blijkbaar waren niet alle abonnementen vrijwillig afgesloten. “Meestal klik ik ze meteen weg”, zo vatte ze haar oplossing om met deze grote hoeveelheid nieuws om te gaan samen. Een lot dat, zo bekende ze, ook de CO Times vaak onderging. Jammer. Niet veel later ben ik overgestapt op een nieuw mail-programma. Toen ik mijn oude post overzette, bleek ook ik van veel nieuwsservices op een mailinglist te staan.

Later en langer, dat is deze nieuwe CO Times. Op 27 oktober 2010 was het zover: op de manifestatie Buitenpromovendi en het onderzoekend vermogen van de samenleving waren zo’n veertig belangstellenden getuigen  van de overhandiging van het rapport over het gelijknamige onderzoek aan de voorzitters van VSNU en PNN. Een voor mij spannend moment, omdat ik behoorlijk intensief met het onderzoek bezig ben geweest. Het begon met de interviews van januari tot en met maart en toen volgde de analyse. Tja, en dan?

Het lijkt alsof er geen groep in de wetenschappelijke bedrijvigheid zo in nevelen gaat gehuld als die van de buitenpromovendi. Is er eigenlijk wel sprake van een groep? Vooralsnog heeft de VSNU geen cijfers paraat en de specifieke noden van deze onderzoekers zijn niet systematisch geïnventariseerd. Hierdoor kunnen de belangen van buitenpromovendi niet goed gediend worden. Reden voor mij als initiatiefnemer van [campus]OrléoN om in 2010 te starten met een onderzoek naar buitenpromovendi. Om hoeveel mensen gaat het eigenlijk? In welke vakgebieden zijn zij veelal actief?

Pagina's