Independent scholar, cat addict, tattoo lover

Op 11 september ga ik een reflectie geven op een aantal projecten van Welbions die passen binnen de thema’s “eigen kracht” en “binnen = buiten”. Lees hieronder mijn eerste gedachten over deze onderwerpen bij wijze van introductie van mijn werk aan de deelnemers. Een soort preflectie dus :-)

---

Weten, wijsheid en onderzoek komt in heel veel soorten en maten. Dat realiseerde ik me voor het eerst tijdens mijn promotieonderzoek. Ik analyseerde de taal van organisatiewetenschappers en vond dat zij in hun publicaties andere dingen schreven en ook andere woorden gebruikten dan wanneer ik hen interviewde over hun eigen organisatie, de toenmalige Nijmegen Business School. Door mijn achtergrond in Letteren en Sociale Wetenschappen kon ik inhoud en vorm van taal onderscheiden en de verschillen tussen wetenschappelijke kennis en praktijkervaring aanwijzen. De methode die ik daarvoor ontwikkelde, heb ik na mijn promoveren steeds gebruikt en verder verfijnd. Na mijn promotieonderzoek deed ik als postdoc onderzoek naar actief burgerschap. Ook hier vond ik verschillen in taal, ditmaal tussen enerzijds beleidsmakers, politici en academici, en anderzijds mensen die zich inzetten voor het aanpakken van maatschappelijke vraagstukken. Die eerste groep wilde burgerschap als instructie opleggen, die tweede bracht burgerschap in de praktijk, niet zelden buiten die instructies om en soms zelfs ertegenin.

Met die kennis in mijn rugzak ben ik in 2003 gestart met mijn onderzoeksbureau OrléoN (“organisaties leren onderzoeken”). Ik heb voor mijn opdrachtgevers onderzoek gedaan in uiteenlopende gebieden: bodemsanering, armoedebestrijding, creatieve economie, onderwijsinnovaties, zelforganisatie in wijken, ruimtelijke vormgeving, jongerenwerk, gemeentelijke regierol, … De gemene deler is steeds geweest: patronen vinden in de collectieve betekenisgeving van gemeenschappen. Dat klinkt misschien abstract, maar zet twee mensen bij elkaar en ze gaan in gesprek om te verkennen of ze iets delen en zo ja, hoe ze er allebei tegenover staan. Zo ontstaat vaak iets zonder dat het bedoeld was. Mensen doen dit spontaan, maar je kunt het ook organiseren, bijvoorbeeld met onderzoek. Door interviews breng je zo’n gesprek op gang, door observaties zie je de omgeving van het gesprek, dit alles kun je analyseren en als gezamenlijk verteld verhaal voorleggen aan de betrokkenen, om het verder te verdiepen en er aanknopingspunten voor acties in te vinden, waar zich (tijdelijke) netwerken aan verbinden. Dit heb ik bijvoorbeeld gedaan in de wijken Hatert, Feijenoord, Tuinzigt en Haagpoort, en dit doe ik nu in Nijmegen met ondernemers in het stadsgesprek “De ondernemer als maatschappelijke (aan)winst”.

Dat weten, wijsheid en onderzoek in heel veel soorten en maten komt, wordt steeds opnieuw bevestigd. “Een samenleving weet meer dan al haar universiteiten bij elkaar”; dat was mijn conclusie een paar jaar na de start van OrléoN. Toch worden weten, wijsheid en onderzoek op verschillende manieren gewaardeerd en ingezet voor de samenleving. Dat vind ik jammer, er blijft zo veel onbenut en er wordt zo veel verspild daardoor. Eigen kracht is geen vraag, maar een feit. De uitdaging is juist om al die eigen krachten te bundelen. Met mijn onderzoek breng ik daarom diverse soorten kennis bij elkaar, zodat mensen – bewoners, cliënten, academici, managers, professionals, kunstenaars, adviseurs, bestuurders – van elkaar kunnen leren en elkaars oplossingen kunnen versterken.

Dat is niet zo eenvoudig als “zet twee mensen bij elkaar en ze gaan in gesprek om te verkennen of ze iets delen en zo ja, hoe ze er allebei tegenover staan” en dat komt omdat in dergelijke gesprekken identiteit en sociale positie of functie een rol gaan spelen. Er is al een context, er zijn al verwachtingen; in spontane ontmoetingen spelen die minder een rol dan in georganiseerde ontmoetingen. Die laatste zijn immers bedoeld, hebben dus een doel dat vooraf bekend is en waar iedereen een eigen doel aan kan verbinden. Dit raakt de kern van het thema “binnen = buiten”. Als binnen hetzelfde is als buiten, dan ben je als mens één met je omgeving. Dit was de ervaren werkelijkheid in de oudheid, waarin de mens als één met de kosmos werd gezien. Identiteit was het antwoord op de vraag “waar is de mens?” Er is sindsdien het een en ander veranderd. Identiteit is vandaag de dag het antwoord op de vraag “wie ben ik?” Mijn promotieonderzoek liet zien dat binnen en buiten daarin juist niet hetzelfde waren. De onderzoekers hadden een publieke identiteit (wat ze over ‘organisaties’ in hun publicaties lieten zien naar buiten) en een privé identiteit (wat ze over hun eigen, concrete organisaties vertelden in interviews). Die twee stonden haaks op elkaar (samenwerking en cocreatie versus strijd en ieder voor zich) en de adviezen die ze aan anderen gaven, legden ze in hun eigen praktijk naast zich neer. Dat is niet eens zo opvallend, dat doen we allemaal. Argyris en Schön hebben ontdekt dat we twee soorten handelingstheorieën hebben, namelijk theorieën die we desgevraagd zeggen aan te hangen (espoused theories) en theorieën die blijken uit onze geobserveerde handelingen (theories-in-use). Die zijn zelden hetzelfde en net zo zelden zijn we ons bewust van dat feit. Het is zoiets als de loodgieter en zijn lekkende kraantje, of de altijd zieke kinderen van de huisarts. We hoeven er pas cynisch over te worden als iemand zeer welbewust publiek en privé twee verschillende gezichten heeft; of, na de bewustwording van het verschil, gewoon doorgaat met de handhaving ervan door het verder te negeren. Als bijvoorbeeld een politicus en plein publiek iets zegt en vervolgens niet waarmaakt, dan ontstaat volgens Sennett ressentiment. Goffman heeft mooi onderzoek gedaan naar de theatrale aspecten van het publieke en het privéleven, het uiterlijk vertoon (gebaren, kleding, accent, …) dat iemand in die twee verschillende contexten tentoonspreidt. Het verschil daartussen wordt zorgvuldiger in stand gehouden naarmate macht meer in het spel is. Dat geldt voor zowel de machthebber als de onderdaan, die elk publiekelijk een rol spelen die past bij de positie, maar privé anders zijn en doen. Mensen zijn gevoelig voor dergelijke verschillen, maar vooral in die zin dat ze ze opmerken bij een ander. Niemand wil graag als blote keizer ontmaskerd worden, dat is gezichtsverlies en daar houden we domweg niet van. Het gevoel integer te zijn is ons heel wat waard, ook als het betekent dat we onszelf voor de gek houden. We zijn bereid, aldus Kahneman, om behoorlijk wat denkfouten te maken en zo een wereld te creëren die waarachtig is en onszelf daarin in positieve zin naar voren laat komen. Bij een georganiseerde ontmoeting tussen mensen met uiteenlopende achtergronden, gaan al die verschillen een prominente rol spelen.

Als binnen dus niet buiten is, dan loopt er een grens en wordt identiteit grenswerk. Volgens Ricoeur wordt identiteit zichtbaar door vijf opgaven aan te pakken. De eerste is het vertellen van een verhaal over je ervaringen, de tweede is openstaan voor het andere en de ander (Buber zegt dan dat je een ‘ik-gij’ relatie aangaat met iemand, in plaats van een ‘ik-het’ relatie). De derde opgave is te beseffen dat identiteit afhankelijk is van iets wat ons ontstijgt en dat we die transcendentie invulling kunnen of moeten geven (we zijn deel van een groter geheel, maar wat is dat?). De vierde opgave is dat we normen moeten opvolgen en de laatste is dat we deugden ontwikkelen: moed, matigheid, rechtvaardigheid en praktische verstandigheid. Dupont heeft deze opgaven mooi in zijn proefschrift uitgewerkt voor katholieke basisscholen. Ze laten zien dat identiteit als grenswerk een hele klus is (ieders eigen kracht), maar dat er ook een heleboel creativiteit bij los kan komen. En daarbij kunnen grenzen best verlegd worden. Hoeveel en hoever hangt echter ook af van de mate waarin we ons bloot willen geven en dus met onze schaamte kunnen omgaan. Zolang schaamte in onze cultuur bestaat, zo is mijn stelling, zullen binnen en buiten aparte categorieën blijven. Dat is niet erg, het pluspunt daarvan is dat we diversiteit behouden en dat kan ook een bron van creativiteit zijn. Een zesde opgave zou dan kunnen zijn dat we mild zijn voor onszelf en de ander, dat we in staat zijn om fouten bij de vijf andere opdrachten te omarmen als schitterende ongelukken en van daaruit blijmoedig verder te gaan.

Het besef dat we als samenleving meer weten dan al onze universiteiten bij elkaar heeft me in 2008 doen besluiten om die kennis in de samenleving zichtbaar te maken, zodat hij daadwerkelijk gemobiliseerd kan worden. Dat gebeurt namelijk zelden spontaan. Ik organiseer dit vanuit Campus Orleon, een netwerk van ongeveer 600 betrokkenen met een breed spectrum aan interesses en expertises, maar ze delen de zin in onderzoek. We ondersteunen ondernemen met onderzoek, we organiseren evenementen over thema’s die te maken hebben met de kennisdemocratie, we ontwikkelen nieuwe onderzoeksmethoden zoals zwermonderzoek en stadsgesprek, we bieden een curriculum voor leren onderzoeken aan en we publiceren over onze bevindingen zodat de rest van de wereld er ook iets aan heeft. Door de diversiteit in het netwerk kunnen we een enorme rijkdom aan kennis aanboren en door ons onderzoek in samenwerking met het publiek te doen, bouwen we mee aan het onderzoekend vermogen van het publiek en leren we zelf steeds bij. Weten, wijsheid en onderzoek worden zo instrumenten om met creativiteit aan de toekomst te bouwen. Utopia wenkt.