Independent scholar, cat addict, tattoo lover

Op dinsdag 21 juni 2005 google ik om 0:14 uur ‘verandermanagement’ en word ik geconfronteerd met circa 74.100 sites die Google in 1,14 seconden heeft gevonden. Wat betekent dit? Zijn dat veel sites of valt dat mee? Is het een populair thema of een stiefthema? En, veel pragmatischer: moet ik nu al die sites doornemen om erachter te komen wat verandermanagement is? Mijn woordenboek biedt immers ook al geen soelaas: het woord ontbreekt in de online editie  en is dus van te recente datum om als goed Nederlands erkend te worden. Daar zijn 74.100 sites het mee oneens. Waarschijnlijk gaat het dus om jargon dat in relatief besloten kring gebezigd wordt. Tijd om daar eens een onderzoek naar te doen. Ik neem u graag aan de hand van onderstaande foto mee op een zoektocht naar de betekenis van verandermanagement.

Deze foto is gemaakt in de zomer van 2003. U ziet wit met blauw geruit behang, een onbestemde geelbruine vlek, een spiegel, een contactpunt met kabelbuis en een busje zoetjes . De link met verandermanagement is evident: dit is immers een typisch Engels tafereel en het woord verandermanagement is ook van Engelse origine, want het is rechtstreeks vertaald uit change management. Dat denk ik tenminste, omdat change management in die taal wel een erkend woord is .

Snel veranderende wereld
Houdt hier de overeenkomst op? Ik dacht het niet! Want wat doet een dergelijk interieur anno 2003 nog in een ‘snel veranderende wereld’? Er is vast een tijd geweest waarin dit hip was, maar dat lijkt alweer decennia geleden – hoewel nogmaals opgemerkt dient te worden dat het hier om een Engels interieur gaat. Wie de documentaire Alleman  van Bert Haanstra bekijkt, moet constateren dat er in elk geval in de laatste veertig jaar niet veel turbulentie bij is gekomen. Natuurlijk, er is technisch meer mogelijk waardoor snelheid en actieradius toenemen, maar die snelheid is door de met vaart in beeld gebrachte levens van toentertijd 12 miljoen Nederlanders al verbeeld in 1963. Het lijkt alsof de licht spottende stem van Simon Carmiggelt – de suggestie van snelheid ontkrachtend – het mantra van de snel veranderende wereld voorspelt. Ja, een mantra, want je hoeft maar een boek over organiseren en management open te slaan of je leest dat we leven in een ‘snel veranderende wereld’. Dat is ook wel begrijpelijk, want er zijn mensen die daar hun brood mee verdienen c.q. hun boeken mee verkopen. Maar ik vraag me dus af of die wereld wel zo snel verandert als beweerd wordt: “Op de valreep, als het busje met journalisten door het verkeer richting vliegveld laveert, vertelt de gids, een moderne Indiase vrouw die veel reist en de wereld kent, dat haar zoon, die uiteraard in de IT werkt, haar heeft gevraagd dit jaar een vrouw voor hem te zoeken. ‘Ze moet ook in de IT zitten, bereid zijn naar het buitenland te gaan en ze hoeft niet per se mooi te zijn.’ 95 Procent van de Indiërs heeft nog altijd een gearrangeerd huwelijk. Hoe gaat onze gids zo’n meisje vinden? De rijke ouders blijken op dit punt helemaal met hun tijd mee te gaan. De gids zoekt haar toekomstige schoondochter via internet. Op een datingsite. Die, heel handig, is gerangschikt naar kaste, dat wel” . En ook de foto steunt mij in mijn twijfel. En steunt mij evenzeer in andere vermoedens.

De zoetjes
Een zoetje is, zoals wij weten, een surrogaat. In zoetjes zit de suikervervangende stof sacharine . Sacharine heeft 300 tot 500 keer meer zoetkracht. Onze keuze voor zoetjes wordt om verschillende redenen ingegeven, maar doorslaggevend argument is de slanke lijn, want sacharine wordt niet opgenomen in het lichaam (en levert dus 0 energie op). Een cosmetisch argument, als het ware. Dat zijn niet altijd de beste argumenten: deze in 1879 ontdekte stof is anno 2005 nog immer omstreden, omdat hoge doses kanker zouden veroorzaken. Mensen bij wie pseudo-allergische reacties worden vermoed, lopen bij gebruik van sacharine kans op huiduitslag (urticaria, netelkoorts), zwellingen in het gelaat (angio-oedeem) of neusklachten (neusloop, niezen, neusverstopping); sacharine kan ook een verergering veroorzaken van astma of van eczema. Suiker, daarentegen, staat op de lijst van toegestane producten. En hoewel ook suiker niet geheel vrij van verdenking is, is suiker een lichaamseigen stof die gemakkelijk in energie is om te zetten. Verslaving is geenszins wetenschappelijk bewezen en het product heeft ‘slechts’ een nadelig effect op het gebit.

Maar goed, het busje zoetjes op het contactpunt wil me uiteraard niet brengen naar een voedingswetenschappelijke verhandeling, maar naar een ander punt dat wel met verandermanagement te maken heeft. Want wat is er gebeurd met het prachtige vak van veranderkunde? Een kleine vergelijking: op dinsdag 28 juni 2005 google ik tussen 19:20 en 19:25 de volgende woorden met dito resultaat:

circa 772 voor veranderkunde (0,19 seconden)
circa 75.900 voor verandermanagement (0,08 seconden)
circa 3.950.000 voor “change management” (0,10 seconden)
circa 63.200 voor “planned change” (0,21 seconden).

Verandermanagement wordt bijna 100 keer zo vaak gemeld als veranderkunde. En ook heeft Google naar de schamele opbrengst van laatstgenoemde twee maal zo lang moeten zoeken als naar de veel vaker gevonden eerstgenoemde. En hoewel de ratio tussen het Engelse ‘planned change’ en ‘change management’ slechts 1:62,5 is, speurt Google ook hier dubbel zo lang. Mijn veronderstelling is nu dat veranderkunde aan het verdwijnen is ten gunste van het surrogaat verandermanagement. Surrogaat? Ja! Het oudere vak veranderkunde wordt gekoloniseerd door het nieuwere verandermanagement. Laten we de analogie exploreren.
De veranderkundige heeft als suiker effect op het lichaam – positief of negatief, dat laat ik even in het midden. En ook de veranderkundige verandert vrolijk mee en wordt omgezet in energie. Maar verandermanagement is als sacharine: het is niet reactief en stabiel onder de meeste condities die in levensmiddelen voor kunnen komen, en kan dus zeer breed toegepast worden. Bij hoge concentraties heeft het echter een bittere smaak. De bittere nasmaak van sacharine kan worden gemaskeerd door het te combineren met andere zoetstoffen.

Hoe het management zichzelf bij voortduring blijft voortbrengen, is genoegzaam bekend. Zo stelt Ad Verbrugge dat het procesdenken van managers de wereld berooft van zijn bezieling en dat dit een morele misdaad is: “Juist in die sectoren waar de veelgeprezen tucht van de markt niet werkt en niet kan werken, zoals in de zorg en het onderwijs, kan het bureaucratische managerdom groteske vormen aannemen. De aansturing van het proces hoeft in deze sectoren niet eens efficiënt te zijn en is het in de meeste gevallen ook niet. Wat hier groeit is veeleer het tegendeel: een management-apparaat dat een steeds groter deel van het budget aan zichzelf toekent en plannen blijft verzinnen om de organisatie in beweging te houden. Niet langer is goed onderwijs of goede zorg het hoogste goed dat moet worden gerealiseerd: het management is gericht op expansie, de markt veroveren, nieuwbouw, strategisch handelen, imago, aanboren van nieuwe doelgroepen. En dat is allemaal erg belangrijk en moeilijk, zodat men zichzelf met een gerust geweten kan belonen met marktconforme salarissen en voorzieningen” . Onder het mom van efficiency wordt bezuinigd om degene die efficiency brengt te bekostigen; vervang ‘efficiency’ met gesaneerd, lean of afgeslankt, en je zit via het cosmetische argument weer moeiteloos in de sacharine-analogie. Maar wat verlies je hier precies mee? Alleen gesprekken in de wandelgangen en bij het koffieapparaat? Of gaat er meer energie weg bij het gewichtsverlies? Is een organisatie wel levensvatbaar zonder vet, die energiedichte rol die met het goede leven en gezelligheid geassocieerd wordt? Ja, er verdwijnt zeker meer. Zoals de vetten een overschot aan suikers (veranderkundigen) opslaan, zo verdwijnt bij het afvallen het veranderkundige vermogen van binnenuit. En dat is fijn, want zo kan de verandering van buitenaf voorgeschreven blijven. Veranderen is het credo en de geëigende (bevoegde, gediplomeerde, omgeschoolde, …) veranderaar is de verandermanager. En dat is logisch – aldus de verandermanager – want de verandermanager is multi-inzetbaar of: ‘kan zeer breed toegepast worden’. Sacharine, dus. Het reactieve en stabiele wordt gemakshalve weggelaten; dat zou de nu juist de legitimiteit aantasten. En ‘kan zeer breed toegepast worden’ wordt gelijkgeschakeld aan ‘zal breed toegepast worden’. Zo ontstaat een bittere smaak in de mond van de beroepsbeoefenaren. Met als enige geneesmiddel meer verandermanagement; 300 tot 500 keer meer veranderkracht en dat zonder enige energie te leveren! Ik wil hier nu niet gaan zingen over het busje dat zo komt, maar het vooruitzicht van nog meer zoetjes stemt weinig vrolijk. Zucht.

De foto van het Engelse interieur doet eerder denken aan Kunnemans theemutscultuur met haar verstikkende zuilen dan aan het swingende postmoderne walkman-ego. Die zuilen zijn afgebroken als daad van moreel verzet, waarmee afstand werd genomen van het gemeenschapsdenken: “Mensen keren zich ertegen omdat ze de hiërarchie die ermee verbonden is, niet meer pikken. In de afbraak van de theemutscultuur zit een duidelijke vorm van morele vooruitgang. Het is helemaal niet zo dat de interne kritiek op de hiërarchische moraliteitsmodellen naar een soort absoluut egoïstisch individualisme verwijzen. Juist als mensen meer in hun bijzonderheid en eigenheid tot hun recht komen, wanneer ze meer gezien worden door anderen in plaats van toegeëigend, kunnen ze zich meer met anderen verbinden” . En toe-eigenen is nu net wat de verandermanager doet: het recht claimen de veranderingen te bepalen, in gang te zetten, te verwoorden en te evalueren. Geen wonder dat Verbrugge het heeft over een morele misdaad: die moet aangepakt worden met een hernieuwd moreel verzet. De energie van de veranderkundige beroepsbeoefenaar moet terug, zodat de organisatie weer op gewicht komt.

Maar volgens mij is er toch nog meer aan de hand. Sacharine wordt ook wel Chinese suiker genoemd. En nu komt dat mooi uit, want er is op dit moment ook wel sprake van een Chinese dreiging, waardoor ik gemakkelijk de link kan leggen tussen sacharine en de behoefte aan een gemeenschappelijke vijand. Kwamen vroeger de Russen en recent de Polen, nu zijn het de Chinezen en de (verander)managers die aan ‘onze’ deur bonzen. Het lijkt mij geen pretje om nu te moeten zeggen dat je verandermanager bent als ik zo kijk naar de hetze jegens dit vak. Want ja, er wordt wel altijd gesproken over de professional en de manager, maar de manager is volgens mij toch ook een professional. Laten we dit jonge beroep de kans geven beroepstrots en beroepsethiek te ontwikkelen. Of misschien beter: laat het hippe ‘manager’ weg, en laad geen enkele schijn van verdenking op je maar wees weer ‘kundig’. Maar ook: laten we na de magere jaren het veranderkundige vermogen van binnenuit weer opslaan en onze organisaties vetmesten tot de grens van het ongezonde. Na de ‘moande van hertepien’ is het tijd voor de hoop, want ja, ook ‘die baetere jaore, die baetere jaore kómme weer ’, als ik een van mijn favoriete bands mag geloven – en dat wil ik graag, dus dat doe ik.

De kabelbuis
Goh, een kabelbuis, wat valt daar nou over te zeggen? Inderdaad, niet veel. Maar wel iets. Een kabelbuis is een lelijk ding dat andere, nog lelijkere dingen – kabels – verbergt teneinde een enigszins ordelijk beeld te scheppen. Ah, daar hebben we dan alsnog een overeenkomst: het menselijke handelen in organisaties is ongeordend (lees: lelijk) en moet in een rechte buis ontkronkeld worden (de zoetjes zitten vast niet voor niets in een busje). Want krullen, dat zijn natuurlijk niet-efficiënte bewegingen. Zien we hier een regel ontstaan? Een regel die los van de krullende werkelijkheid (een kabelbuis is geen kabel), ja deze zelfs verhullend, in het oog springt? Hoor ik hier Dorien Pressers over de teloorgang van beroepstrots  en zie ik hier de intensieve menshouderij zoals geschetst door Jaap Peters en Judith Pouw ? Ja, maar ik zie ook wat anders. Ik zie competenties, die zichtbare gedragsuitingen waar we ons tegenwoordig nog als enige mee nuttig kunnen maken. Niet het denkwerk maar het doen, niet de spinsels maar de leden. En zelfs die buitenkant is verstrakt. Niet de salsa maar de mars. Krom is stom. Dat u het maar weet.

Het contactpunt
Het contactpunt in het midden van de foto doet me denken aan het ontstaan van leven, de versmelting van zaadcel met eicel in een aldus gecreëerde zygote. Het stopcontact is de oplichtende halo om het moment van de conceptie – conceptualisatie – kracht bij te zetten. Mijn zygote-these begon zich te ontspinnen in de loop van het afgelopen jaar en tot mijn grote verrassing las ik hem in april van dit jaar terug in Peter Sloterdijks Sferen. Hierover zegt hij in een interview met Bettina Funcke: “With Bubbles I tried to describe the dyadic space of resonance between people as we find it in symbiotic relations – mother and child, Philemon and Baucis, psychoanalyst and analysand, mystics and God, etc. […] Bubbles provides an excessive theory of pairs, a theory based on a fundamental irony. While everyday thought is firmly convinced it knows everything of pairs – namely, that they are the result of adding one plus one (biographically speaking, this means the effect of an ‘encounter’) – I undertake the experiment to demonstrate to what extend the ‘being-a-pair’ [Paar-Sein] precedes all encounters. In my pair analysis, the number two, or the dyad, appears as the absolute figure, the pure bipolar form. Accordingly, it always takes precedence over the two single units of which it seems to be ‘put together’ […] With this we enter the terrain of a radicalized philosophical psychology that departs from the general faith in the priority of individuality” . Als die fundamentele minstens-twee-heid die volgens Sloterdijk een immuunsysteem vormt, zo stel ik me het menselijke contact voor, met als oorsprong het contactpunt zoals op deze foto. Wat betekent dit beeld voor verandermanagement? Naar mijn idee heel veel. De verandermanager maakt deel uit van de context die zich slechts mede dankzij diezelfde verandermanager ontwikkelt – en precies daardoor verandert de verandermanager zelf ook. Wie lullig doet, doet zichzelf wat lulligs aan. Wie niet in karma wil geloven – dat mag, ik ben er zelf ook nog niet helemaal uit – spreekt vast het beeld van het zelf vervuilde nest aan. Dit aspect werd in veranderkunde erkend en omarmd; juist daarom was het vak gericht op emancipatie, al was het maar van de eigen beroepsgroep. Maar dat beeld van de meeveranderende veranderaar verdwijnt steeds meer naar de achtergrond, hetzij in de verhalen van de verandermanager, hetzij in de verhalen over de verandermanager. Ik heb me aangeleerd om me bij de waarom-vraag ook de wie-schiet-daar-wat-mee-op-vraag te stellen. Waarom zou de verandermanager ontkennen zelf te veranderen? Blijkbaar wekt het de schijn van leren en wie aan het leren is, is nog niet af. Niettegenstaande slogans als ‘leren leren’ en ‘kenniseconomie’ op macroniveau is het schijnbaar op microniveau niet professioneel en commercieel lastiger om jezelf te verkopen als iemand die het ook nog niet weet maar het graag met je uitzoekt / uitvindt. Waarom zouden anderen het meeveranderen van de verandermanager ontkennen? Nou, ten eerste is het natuurlijk moeilijker schieten op een bewegend doel. Fixeren door stereotyperen ligt dan als strategie voor de hand. En bovendien is starheid ten tijde van de ‘snel veranderende wereld’ natuurlijk de ultieme belediging (‘een slome verandermanager zal mij zeker komen vertellen dat ik wel wat sneller kan?’). Tot slot kunnen we – binnen deze zelfde ‘snel veranderende wereld’ – als strategie de immobilisering identificeren: we leggen het lam en als we lang genoeg wachten, wordt het vanzelf wel ingehaald door de realiteit of valt het om.

Zowel de verandermanager als de beroepsbeoefenaar – en deze tweedeling is weer een symptoom voor de ontkenning van het beroep van de verandermanager – ontkent de professionaliteit van de ander. Liever worden karikaturen geschetst van ‘de deskundige’ en ‘de leek’. Daar doen beide partijen aan mee en volgens mij doen beide partijen zichzelf en elkaar hiermee tekort, maar die laatste groep lijdt er volgens de overleveringen het meest onder. Als toegeëigende partij trek je immers meestal aan het kortste eind. Dan heb je de keuze te pendelen tussen actief en passief verzet. Maar laten we wel wezen, dat kan ook best veel pret opleveren en niets is een krachtiger bindmiddel dan een gezamenlijke pispaal. De romantiek van de martelaar, verzetsheld en underdog, velen zijn er al voor gezwicht, maar of het professioneel is om je bij je slachtofferrol neer te leggen, is een ander verhaal. En daarmee wil ik niets afdoen aan de drama’s die zich op de werkvloer voltrekken en de slachtoffers die daarbij vallen (dat is inmiddels het rijmkoppel ‘patiënt-student’ geworden, want de zorg en het onderwijs schijnen het zwaarst getroffen te zijn), maar voor zover ik weet spelen eigenbelangen en gebrekkige communicatie aan beide kanten een rol. Wie verzet als enige reactie vertoont, roept alleen maar meer verzet op. Want de verandermanager mag niet laten merken zich geen raad te weten met de situatie en gaat over tot nog meer afstand in de vorm van impopulaire maatregelen. En de beroepsbeoefenaar is het archetype van de eigenwijze en kan daarmee geen tips van buitenaf aannemen. De waarschuwing geen snoepjes van vreemden aan te nemen is echter maar kort waardevol; op volwassen leeftijd moeten we letterlijk kennis durven maken met groepsoneigen horden. Die beroepsbeoefenaar heeft het nu trouwens eigenlijk gemakkelijker dan ooit, want diens liefde voor het vak wordt voetstoots in de imagebuilding overgenomen. De vraag is of beroepseer, beroepstrots en beroepsenwatalnietmeerzij inherent zijn aan de beroepsbeoefenaar. Ja – en nu niet schrikken – er zijn mensen in de beroepspraktijk te vinden die hun tijd uitzitten. En ja, verandermanagers die in de weg zitten, zijn er ook plenty. Ja, er zijn ook mensen in de beroepspraktijk te vinden die te stom zijn om voor de duvel te dansen. Beroepseer kan ook de verhulling van dit soort makke zijn (‘dat lossen we onderling wel op’). Tja, dat soort constateringen komt de aanval op het verandermanagement slecht uit. Dat offensief is gebaat bij het scherp stellen van de focus, zodat er beter op de verandermanager gemikt kan beter. Dat verandermanagers ook wel eens zinvolle veranderingen managen is nu even niet aan de orde. Dus ja, wie heeft er baat bij het op de spits drijven van de polarisatie? (En wie wordt het volgende doelwit?) Alle partijen drijven uiteen in wij en zij en desondanks blijven we met elkaar in contact, want we zitten allemaal in dezelfde baarmoeder. Dat laatste wordt vergeten: in plaats van een gezamenlijke ontwikkeling na de conceptie worden we bidsprinkhanen die na de paring vreten en gevreten worden. Maar wij kunnen ons niet verschuilen achter zuiver instinctmatig gedrag. En dat maakt dit een morele misdaad van iedereen.

Het behang
Ik kan hier gemakkelijk de link leggen met de ruitjespatronen van het Excel-programma of met het papier waarop op tekentafels organisaties worden ontworpen, maar volgens mij val ik dan in herhaling. Tijd voor een hand in eigen boezem.

Tja, geruit behang. De associatie met hokjesdenken ligt voor de hand. Ikzelf heb best wel last van hokjesdenken. Zo plaats ik elke willekeurige verandermanager in het hokje ‘verandermanager’, waarbij ik mijn cynische interpretaties de vrije loop laat en in goed en slecht polarisaties verval. Suiker is goed, sacharine is slecht. En dan moet ik me eraan herinneren dat ik Cola Light lekkerder vind dan gewone cola juist vanwege de smaak van sacharine – en het is beter voor de lijn. Dus ja, cynisme is gemakkelijker en nee, het vak van de veranderaar is dat niet. Over het waarom daarvan heb ik heb wel ideeën. Als iemand tegen mij zegt: “Ik ben verandermanager”, dan lopen de rillingen me over het lijf en weet ik al hoe laat het is: ik ga het object van verandering worden. En daar zit het ‘m nou precies: ik ga object worden. Terwijl ik mezelf streel met de gedachte de helft van een zygote te zijn. De beroving van mijn wederhelft-zijn en de degradatie van mij tot buitenkant zijn voor mij letterlijk een verarming die ik niet pik. Ik ben geen behang.

Ook ik was trouwens ooit een verandermanager, al heette het toen niet zo. Als onderwijskundig medewerkster was ik verantwoordelijk voor de implementatie van een grootschalige onderwijsvernieuwing. Ook woorden als co-product en co-creatie waren nog geen gemeengoed, maar ik was er wel al van overtuigd dat de onderwijsvernieuwing met docenten en studenten samen tot stand moest worden gebracht. Wie was ik om anderen te vertellen hoe ze hun onderwijs dan wel studie moesten inrichten? Maar ook: wie waren zij om mij te negeren? Of onder druk te zetten? Hier zijn een wortel en een stok: hengel ermee en sla ze ermee om de oren. Of: je moet ze verleiden om het anders te doen. Ja dank je de koekoek! Het eerste wat je denkt als iemand tegen je zegt dat het anders moet of ‘ook anders kan’, is toch dat je denkt dat je het fout doet. En als de innovaties zich elke twee jaar aandienen, dan krijg je toch de indruk dat een heel ontevreden iemand te veel tijd heeft. Een mens kan maar een beperkt en per individu verschillend aantal paradigmaverschuivingen per leven aan.

Zie hier het dilemma van een verandermanager avant la lettre. Niet iedereen is overtuigd van de noodzaak van verandering en toch kan die noodzaak er soms best zijn. Niet elke verandering is noodzakelijk en toch kunnen sommige mensen daarvan overtuigd zijn. Wat nu?

De onbestemde geelbruine vlek
Boven het contactpunt rechts van het busje zoetjes zien we een onbestemde geelbruine vlek. Die had natuurlijk allang weggepoetst kunnen worden, of verstopt achter nog meer busjes, maar de eigenaar van dit stilleven heeft ervoor gekozen de onbestemde vlek te laten voor wat hij is. En dat stemt mij bijzonder hoopvol. Want hoewel enige camouflage door de kabelbuis gepleegd is en enige surrogaatbevrediging gezocht is in de zoetjes, is er ook plek voor deze vlek. En deze vlek zou wel eens onze redding kunnen zijn. Want wat ik zie in deze Rorschach-test is een gebrek aan definitie. De vlek heeft niet eens een eenduidige kleur. Hier kan de verandermanager óók professional zijn, hier kan de professional óók veranderingen in gang zetten. Hier kan iedereen meerdere dimensies laten zien. Je ziet de hokjes van het behang gewoon vervagen. Ze zijn er nog wel hoor, maar minder pregnant. En ze hoeven ook niet te verdwijnen, want iedereen heeft recht op een specialisme en beroepstrots. Een plek die in de woorden van Rutger Kopland ‘uitzicht op vroeger, op later, op verte’  is, en warempel iemand die zegt ‘ik heb altijd gewild dat ik dat was, een lege plek voor iemand, om te blijven’ , als dat nog niet het verlangen naar het ongedefinieerde plaats tot uitdrukking brengt, dan weet ik het ook niet meer. Ik denk dat een onbestemde geelbruine vlek in elke organisatie thuishoort, ook al verdient het exemplaar op deze foto niet direct de schoonheidsprijs. Maar we moeten hier denk ik even de cosmetica vergeten.

Wat is die geelbruine vlek eigenlijk? Het lijkt op het spoor van een veelvuldig grijpen naar de zoetjes. Hebben we hier met een verslaving te maken? Is hier een persoon die denkt niet zonder sacharine te kunnen? Het zou zo maar kunnen. Er wordt wel vaker gewoontegetrouw gegrepen. Het lijkt óók uit het contactpunt weggelekte energie. Elke organisatie heeft een plek waar de weggelekte energie samenkomt. Kun je die energiebanen sturen? Ik vraag het me af. Ten dele zal er best wel het een en ander gericht kunnen worden – zoals in hetzes en hypes – maar we kunnen denk ik ook uitgaan van ongerichte of opgeslagen energie. Het veranderkundige vermogen van binnenuit komt tot uitdrukking in de onbestemde vlekken. Als we ze wegpoetsen, ontstaan explosieve situaties, want de energie moet toch weg. Laten we ze vooral met rust laten. Laat ik het onderwerp ook met rust laten. En de slijtageplekken op het behang eveneens.

De spiegel
Hoewel de fotograaf zichzelf hier heeft kunnen laten zien, heeft hij niet de gelegenheid te baat genomen zich aan ons kenbaar te maken. Kijken we nog eens goed naar de spiegel, dan is die niet alleen onbevolkt, maar tegen de witgebloemde omlijsting zit een zwarte rand. Een rouwrand met een grafkrans? Wie is hier gestorven? Mijn voorstel: de verantwoordelijkheid van de maker.

In een sfeer waarin we allemaal naar elkaar wijzen voor wat er fout gaat – gebrek aan krachtig leiderschap, gebrek aan vertrouwen, gebrek aan van alles en nog wat – is de verantwoordelijkheid zoek. We zien de misstanden wel, maar we voelen er niets meer bij. Of beter gezegd: we voelen er wel wat bij, maar geen daadkracht. In een interview met Bill Moyers zegt Susan Sontag hierover: “What I want people to think about is how serious war is. How it is elective. It’s not an inevitable state of affairs. War is not the weather. I want people to think about what war is. And at the same time, I know it’s very hard. I end the book [Regarding the pain of others] by saying, in a way the world is divided into people who know—have had direct experience of war, and people who haven’t. […] That it is both more horrible than any kind of pictures could convey, and maybe one of the most horrible parts of it is that it becomes a normality. It becomes a world that you can live in. There is a culture of war. […] I don’t think images can stop war, because I don’t think images just come all wrapped up with their meanings—very apparent to us. I think the images, as I say, they’ll disgust you with war in general, but they won’t tell you which of the wars, let’s say, that might be worth fighting, like World War II, and the ones that you should bring to an end as quickly as possible or pull out of. That—for that you have to have a politics or you have to have an ethics, or you have to have some knowledge. And that’s why you need words to go with the images. It’s not the pictures that are going to tell us that specific message. The pictures are going to tell us how terrible war is. But they’re not going to help us—understand why this war is wrong. […] You become a spectator. It confirms you in a kind of feeling of—invulnerability. On one level it’s people looking at war as spectacle. But they don’t just look at it as spectacle. They just look at it as, well, that’s a terrible thing. Really terrible. And they turn the channel” . Als de maker afwezig is, is de verantwoordelijkheid voor de afbeelding weg en verdwijnt de verantwoordelijkheid voor het gerepresenteerde.

Voor de afstomping die Sontag beschrijft is een neurobiologische verklaring. “Er bestaat”, aldus Damasio, “een nauwe samenhang tussen enerzijds de totstandkoming van een bepaalde geestestoestand of een bepaald gedrag en anderzijds de activiteit van een beperkt aantal delen van de hersenen” . Emoties en gevoelens spelen een beslissende rol in ons gedrag. De ervaringen van oorlogsveteranen en de erkenning van deze ervaringen met een veteranendag  – op 29 juni, voor het eerst in 2005 – is tekenend in deze. Dat we pijn vermijden is bekend en onze reactie op het kijken naar de pijn van anderen is dan ook niet vreemd. Maar pijn is een verschijnsel dat ons bij ons overleven steunt en onderdrukking ervan kan dan ook gevaarlijk zijn. Weigeren in de spiegel te kijken, onzichtbaar blijven, je zou het weglopen voor je verantwoordelijkheden kunnen noemen. Want hoort het jezelf ter discussie stellen niet ook bij professionaliteit? En is dat waar we dan van weglopen?

Op de vraag of er ook neurologische grondslagen zijn voor ethiek, antwoordt Damasio bij een andere gelegenheid: “Yes there are. One of the payoffs of the new understanding of emotions and feelings is the realization that moral behavior does not begin with humans. In certain circumstances numerous non-human species behave in ways that are, for all intents and purposes, comparable to the moral ways of human beings. Interestingly, the moral behaviors are emotional – compassion, shame, indignation, dominant pride or submission. As in the case of culture, the contribution of everything that is learned and created in a group plays a major role in shaping moral behaviors. Only humans can codify and refine rules of moral behavior. Animals can behave in moral-like ways, but only humans have ethics and write laws and design justice systems. Animals can show attachment to others but […] only humans love in the proper sense of the term” .

In de bespreking van de spiegel haal ik verhoudingsgewijs meer experts aan dan elders. Ik vind dit dan ook een lastig vraagstuk. Mijn gebrek aan positiebepaling is echter niet een weigering tot een verantwoorde keuze te komen. Integendeel: het is mijn verantwoorde keuze om telkens opnieuw positie te bepalen, afhankelijk van de zygote waarvan ik deel uitmaak. Zelf noem ik dat zinzicht, een woord dat is ontstaan uit een typefout.

PS: op woensdag 29 juni 2005 om 23:01 uur: circa 77.000 voor verandermanagement (0,26 seconden), een toename van 2900 hits in negen dagen (322 per dag); op woensdag 29 juni 2005 om 23:03 uur: circa 825 voor veranderkunde (0,16 seconden), een toename van 53 hits in één dag.

 

Basten (2005). Circa 74.100 voor verandermanagement (1,14 seconden). Verandermanagement. Actuele visies op management. Den Haag: Academic Service/Sdu Uitgevers bv (genomineerd essay in De Management Essay Prijs).