Independent scholar, cat addict, tattoo lover

Tussen 2000 en 2002 deed ik als post-doc onderzoek naar actief burgerschap in het kader van het EU fifth framework project Education and Training for Governance and Active Citizenship in Europe (ETGACE). Voor die tijd had ik nooit zo nagedacht over burgerschap en bestuur, daarna liet het me als thema niet meer los. Hoe verloopt besluitvorming in onze samenleving eigenlijk? Wie is op grond van welke criteria bevoegd om te beslissen over anderen? Kun je in de samenleving aan de spreekwoordelijke knoppen draaien en gebeurt dan wat je wil, of is er sprake van sociale complexiteit en ontstaat een richting door de manier waarop we met elkaar omgaan? Hoe wordt wiens kennis van zaken ingeschakeld? Kunnen we spreken van een kennisdemocratie?

Deze vragen begon ik me dus te stellen naar aanleiding van mijn ETGACE-onderzoek. Mijn literatuuronderzoek, The Netherlands,1 liet zien hoe in de publicaties van Nederlandse academici de burger als handelende actor hetzij afwezig is hetzij als hinderlijk wordt beschreven. Het onderzoeksrapport over onze interviews, Life Histories of Active Citizens in the Netherlands,2 toonde aan dat mensen die zich inzetten voor de samenleving zichzelf niet als actieve burgers beschouwen, maar als milieuactivist, anarcho-feminist, betrokken winkelier, et cetera. Belangrijkste reden is dat ze kritisch zijn over de overheid en daarom wantrouwend tegenover haar appèl op actief burgerschap staan. In het afrondende rapport Discourses of Activism concludeerde ik dat politici, beleidsmakers en onderzoekers een geheel ander discours over actief burgerschap hebben dan mensen die zich actief inzetten voor de samenleving. Deze inzichten heb ik later, na nieuw onderzoek, ook verwerkt in de hoofdstukken Civiele bestuurskunde en Overheid en burgerij: tot elkaar veroordeeld? Naar een civiele bestuurskunde voorbij de verzorgingsstaat.

Voortbordurend op die verschillende discoursen heb ik onderzoek gedaan naar hoe inclusief de publieke ruimte is. Wie is eigenaar van ons publieke domein? Hoe regelt zich het sociale verkeer hierin? Wie vertelt het verhaal hierover? Als het bijvoorbeeld gaat over city branding, dan zien we dat gemeentes reclamebureaus inhuren die een mooi en aansprekend verhaal over de stad vertellen en daarmee veel verhalen over het dagelijks, minder rooskleurige leven in die stad onzichtbaar maken. Je hebt dus te maken met narrativiteit en in The double-tongued city, een paper dat ik schreef voor de 2008 Annual International Conference of the Design History Society,3 leg ik uit hoe dat werkt voor de slogan ‘I Amsterdam’. In mijn artikelen Het Nederlandse beleid voor de creatieve economie: te veel vliegen in één klap en Zero versus Maximum Tolerance leg ik een verband tussen de creatieve economie, het beleid daarvoor en de uitkomsten daarvan voor de lokale samenleving.

Samen met Antoinette van Heijningen van Urban Core heb ik het actieonderzoek ‘Feijenoord Vertelt’ gedaan. Dit actieonderzoek was een experiment met microstructuren. Microstructuren zijn transdisciplinaire netwerken van bewoners, ondernemers, professionals, ambtenaren en academici die tezamen thema’s in de lokale gemeenschap aanpakken. De basis daarvan is een narratief onderzoek, dat het gedeelde verhaal over de gemeenschap blootlegt. Een microstructuur vraagt een kleine investering in bestuurskracht, waaruit zelforganisatie en sociaal ondernemerschap kunnen ontstaan. Over dit project hebt ik het paper Microstructures as Spaces for Participatory Innovation gepresenteerd op de Participatory Innovation Conference.4

Ik heb ook onderzoek gedaan naar jongeren en de openbare ruimte. In het artikel Vraaggericht werken door narratief onderzoek5 doe ik samen met Joos Meesters en Martha van Biene verslag van een onderzoek naar vraagpatronen in de Nijmeegse wijk Hatert. De analyse van de vraagpatronen heb ik gedaan in samenwerking met het lectoraat Lokale dienstverlening vanuit klantperspectief (Hogeschool van Arnhem en Nijmegen). Het doel was om het opgroei- en opvoedklimaat in deze wijk boven tafel te krijgen en bespreekbaar te maken. Samen met Martha van Biene heb ik ook het artikel Voorbij de standaarvraag geschreven;6 dat gaat meer algemeen over de toepassingsmogelijkheden van het door ons ontwikkelde instrument. Voor een ander onderzoek, dit keer in opdracht van Meet my Street, heb ik in kaart gebracht hoe projecten voor creativiteit en media kunnen bijdragen aan een positiever beeld van jongeren in de openbare ruimte. De resultaten van dit onderzoek zijn verpakt in glossy magazine MEET - Meet my Street Magazine. Voor Stichting Eigentijdse Verbindingen heb ik als onderzoeker bijgedragen aan het vermogen van jongerenwerkers om door het bouwen van netwerken ruimte te scheppen voor jongeren in hun stad of wijk.

--

1. In 2000 verschenen in Citizenship and Governance Education in Europe: A Critical Review of the Literature. School of Educational Studies, geredigeerd door Holford en Edirisingha, University of Surrey.

2. In 2001 verschenen in in Learning Citizenship and Governance in Europe: Overall Review and Analysis. Analysis of Life Histories, geredigeerd door Snick, Stroobants en Wildemeersch, Unit of Social Pedagogy, Katholieke Universiteit van Leuven.

3. Proceedings onder redactie van Hackney, Glynne en Minton, University College Falmouth, 3-6 September 2008, Cornwall, pp. 283-288.

4. Proceedings onder redactie van Buur, University of Southern Denmark, 13-15 januari 2011, pp. 130-136.

5. In 2010 verschenen in Journal of Social Intervention: Theory and Practice, Vol 19, Issue 3, pp. 21-37.

6. In 2009 verschenen in Maatwerk. Vakblad voor maatschappelijk werk, nr. $ augustus 2009, pp. 26-28.