Independent scholar, cat addict, tattoo lover

recensie van Wetenschapsfilosofie voor geesteswetenschappen, Michiel Leezenberg en Gerard de Vries, Amsterdam: Amsterdam University Press, 2012, 365 pagina’s, herziene editie. ISBN 987-90-8964-422-8. € 35,=

Volgens de auteurs zijn inleidingen in de wetenschapsfilosofie die geschikt zijn voor studenten in de geesteswetenschappen schaars en met hun Wetenschapsfilosofie voor geesteswetenschappen willen ze in deze lacune voorzien: “Het biedt de middelen die studenten in de geesteswetenschappen nodig zullen hebben bij het nadenken over de aard van het vak waarmee zij zich bezighouden, de plaats van de geesteswetenschappen in het geheel van de wetenschappen, en hun positie in de hedendaagse cultuur” (p. 5). De auteurs maken deze belofte waar in veertien hoofdstukken.

Opbouw van het boek
Het eerste is een algemene inleiding, waarin ‘wetenschapsfilosofie’ geïntroduceerd wordt als het vakgebied dat zich bezighoudt met onderzoek naar de kern en grenzen van een discipline en de diversiteit die zich daartussen voordoet: “Waar moet de eenheid worden gelokaliseerd, waar de verscheidenheid?” (p. 14). De manier waarop wordt beargumenteerd is daarbij leidraad; het gaat dus om methodologie. Wetenschapsfilosofen worden geacht die wijzen van argumenteren en de bijzondere aard van kennis die daarmee gecreëerd wordt tot uitdrukking te brengen en dit wordt beoordeeld op filosofische adequaatheid. Daarnaast moeten ze een beeld van wetenschappen schetsen dat overeenstemt met gevestigde wetenschapspraktijken en het feitelijke handelen van erkende onderzoekers; dit wordt beoordeeld op historische adequaatheid. De geschiedenis van de wetenschapsfilosofie zelf laat zien dat nu eens de eerste en dan weer de tweede taak prevaleert, maar een constante factor is de aandacht voor methodologie als “kwaliteitscontrole op de wetenschappelijke productie” (p. 15). Daar zijn binnen de wetenschapsfilosofie geen standaarden voor: het is immers zelf ook als academische discipline niet vrij van controverses en variaties in benaderingen voor hetzelfde probleem.
In wat volgt doen de auteurs voor hoe filosofische en historische adequaatheid eruit zien. Ze combineren een historiserende benadering, waarin ze tijdvakken afbakenen, met een systematische benadering, waarin ze de belangrijkste methodologieën en kentheoretische thema’s bespreken. Zo krijgen we in hoofdstukken 2 (Het klassieke beeld van wetenschap), 3 (Het logisch empirisme) en 4 (Van empirisme naar pragmatisme) een beeld van de belangrijkste visies op ontwikkelingen en methodologieën van de natuurwetenschappen, de oorsprong van het moderne idee van wetenschap. Hoofdstuk 5 (De historisering van het wetenschapsbeeld) is een uitbreiding van het criterium van historische adequaatheid en beschrijft de methoden van Kuhn en Foucault in hun empirische studies naar wetenschappelijke revoluties als weerlegging van de lineaire vooruitgangsgedachte die de wetenschapsfilosofie destijds domineerde. In deze eerste zes hoofdstukken komen de geesteswetenschappen weliswaar aan bod, maar niet als eigen identiteit. Pas vanaf hoofdstuk 6 (Het ontstaan van de geesteswetenschappen) komen ze volop in de schijnwerpers als nieuw product van drie samenhangende factoren. De eerste zijn cultuurhistorisch, zoals de nadruk op historiciteit van mens en cultuur, het begrip ‘tijdgeest’, het vooruitgangsdenken en de contraverlichting, de opkomende natiestaten en de verschillen in ontwikkelingsstadia van volken ter legitimering van kolonisatie. De tweede zijn universitaire hervormingen, zoals de introductie van Bildung als vormgever van burgers in nieuwe naties, en de eenheid van onderwijs en onderzoek plus de academische vrijheid die ervoor nodig is om oorspronkelijk onderzoek te doen. De derde is de concurrentie met de sociale wetenschappen over de epistemologie van opvoeding en moraal in de industriële samenleving: wie kan het beste de samenleving en haar vraagstukken uitleggen? In de hoofdstukken 7 tot en met 11 (Geschiedschrijving als wetenschap: tussen feiten en verhaal; De hermeneutische traditie en het neokantianisme; Kritische theorie; Positivisme en structuralisme; Poststructuralisme en de practice turn) komen de belangrijkste stromingen aan de orde, die ook hun eigen reacties binnen de geesteswetenschappen oproepen. Deze zijn onderwerp van hoofdstuk 12 (Kritiek van de moderniteit) en 13 (De eenentwintigste eeuw: restauratie of transformatie?). Het boek wordt afgesloten met het hedendaagse geesteswetenschappelijke bedrijf in Nederland, met als kenmerken fragmentatie van kennis door eindeloze specialisatie, nadruk op kennisvalorisatie, inter- en multidisciplinaire samenwerking en ontwikkelingen in ICT, waaronder e-humanities en open acces.

Didactische kwaliteit
Het boek zit didactisch gezien prima in elkaar. Elk hoofdstuk wordt afgesloten met een resumé waarin de belangrijkste punten nog eens herhaald worden. Daarnaast geven de auteurs, terwijl de hoofdstukken ook op zichzelf staand gelezen kunnen worden, nadrukkelijk enkele hoofdlijnen aan: de omgang met de kantiaanse en hegeliaanse erfenissen en de zogenaamde talige wending. Ook handig is dat ze centrale technische termen met een * markeren. Deze worden ter plaatse uitgelegd en staan ook nog eens in een overzichtelijke appendix, zodat je ze wanneer nodig snel even terug kunt lezen. De uitgebreide index is ook behulpzaam.
Het boek vereist volgens de auteurs geen filosofische voorkennis en is geschreven voor een niet-specialistisch publiek. Dat neemt niet weg dat dit publek wel geoefend moet zijn in aandachtig lezen. Sommige passages zijn buitengewoon taai, met name wanneer je een argumenteerwijze moet volgen die je niet eigen is. Dat is in principe niet erg, want juist door de poging leer je je eigen denkkaders kennen en kun je ze verruimen, waardoor je je door studie van deze inleiding in wetenschapsfilosofie daadwerkelijk tot wetenschapsfilosoof kunt ontwikkelen.

Suggestie(s) aan de auteurs
De auteurs nodigen aan het eind van hun ‘Vooraf’ uit tot correcties en suggesties. Mijn suggestie (naast een beter gelijmde rug; die laat nu los als je het boek in de zon leest) is een correctie. Al met al is dit boek een ideeëngeschiedenis van blanke mannen, waarop pas in een later stadium niet-blanke mannen en (dito) vrouwen mogen reageren. Dat suggereert dat ‘de wetenschapsfilosofie’ vanzelfsprekend ook gefundeerd is door blanke mannen en dat de rol van de rest van de wereld beperkt is tot die van commentator. Juist in die rol zijn feministische en postkoloniale wetenschapsfilosofen volgens de auteurs kwetsbaar, en wel om twee redenen. De eerste is dat ze beschuldigd kunnen worden van slachtofferdenken, omdat ze constante onderdrukking veronderstellen in plaats van met concrete voorvallen aantonen. Tegelijkertijd is de tweede dat concrete voorbeelden juist als irrelevant voor de wetenschap kunnen worden afgedaan, want daar gaat het om ‘wat’ en niet om ‘wie’. Juist door hen alleen in die commentaarrol te bespreken, werken de auteurs mee aan dit dubbele risico en gaan ze voorbij aan de oorspronkelijkheid van niet-westerse en vrouwelijke denkers. Dat is onterecht of, zoals de auteurs wellicht zouden zeggen, historisch niet helemaal adequaat. Ook zij hebben aan de fundamenten van grote denksystemen gestaan. Rens Bod laat dat in zijn Vergeten wetenschappen. Een geschiedenis van de humaniora (Bert Bakker, 2010) overtuigend zien. De auteurs erkennen deze omissie, maar pas op pagina 332 in het literatuuroverzicht, waarin ze suggesties geven voor verder lezen. Een van de geadviseerde boeken is dat van Bod. Een wel heel ieniemienie verwijzing naar de mogelijkheid van andere argumenteerwijzen. Daardoor wordt een rijkdom aan andere bronnen om ons denken te overdenken overgeslagen en dat is jammer, juist omdat we in deze tijd het westerse denken opnieuw moeten uitvinden, voorbij het ik als kennend subject, het dualistische wij-zij denken, het eenduidige en dwingende oorzaak en gevolg zoeken, het pogen om ambivalentie op te heffen. Nu maatschappelijke vraagstukken door hun complexiteit andere vormen van samenwerking en handelen vragen, blijkt dat het blanke-mannen-denken als standaard om mens en wereld te duiden tekortschiet. Daar hadden andere bronnen dan de hier opgevoerde ook inspiraties voor of een inleiding in kunnen zijn.
(Ook mis ik Feyerabend; of was zijn Against Method niet methodologisch genoeg voor de wetenschapsfilosofie?)

Bestel het boek hier.